Datum beslissing:31-01-2006
Datum publicatie:01-02-2006
Type procedure:Cassatie
Rechtsgebied:Straf
Linken als:
http://nl.vlex.com/vid/39429062
Id. vLex: VLEX-39429062
Acceda a este documento
y pruebe vLex GRATIS durante 3 días
Buitenlandse startinformatie. Feiten: In GB is door Britse douaneambtenaren - zonder wetenschap of bemoeienis van Nederlandse opsporingsambtenaren of ambtenaren van het OM - een strafrechtelijk opsporingsonderzoek ingesteld naar de criminele activiteiten van o.m. X. In het kader van dat onderzoek heeft X informatie gegeven over Nederlandse personen. Deze inlichtingen zijn door de Britse autoriteiten ter kennis gebracht van de Nederlandse autoriteiten. Op grond van deze startinformatie is vervolgens in Nederland een opsporingsonderzoek gestart naar o.a. verdachte. Het door het hof gebezigde bewijsmateriaal is in het kader van dat onderzoek verkregen. Voorop moet worden gesteld dat onder de genoemde omstandigheden de Nederlandse autoriteiten op die startinformatie mochten afgaan in die zin dat op grond van de daardoor gerezen verdenking een opsporingsonderzoek in Nederland mocht worden ingesteld en dat, ook al zou later blijken dat aan de verkrijging van die informatie in GB enig gebrek zou kleven, zulks - behoudens bijzondere omstandigheden - niet tot niet-ontvankelijkheid van de OvJ in zijn strafvervolging kan leiden. Hetgeen in het verweer is aangevoerd (in GB criminele burgerinfiltrant gebruikt) kan niet als een zodanige bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.
LJN: AU3426, Hoge Raad, 00135/05
31 januari 2006
Strafkamernr. 00135/05SG/ICHoge Raad der NederlandenArrestop het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 juli 2003, nummer 23/000630-02, in de strafzaak tegen:[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].1. De bestreden uitspraakHet Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 15 november 2001, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de ver-dachte ter zake van 1. en 4. "deelneming aan een organi-satie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, meermalen gepleegd" en 3. "opzettelijk voorhanden hebben van het vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf.2. Geding in cassatieHet beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.3. Beoordeling van het eerste middel3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.3.2. De verdachte heeft op 10 juli 2003 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 20 januari 2005 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 16 augustus 2005 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.4. Beoordeling van het derde middel4.1. Het derde middel houdt in dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.4.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:"Ontvankelijk van het openbaar ministerieDe raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 1. tenlastegelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.De aanleiding voor het opsporingsonderzoek naar (onder anderen) verdachte werd in belangrijke mate gevormd door de resultaten van een opsporingsonderzoek in het Verenigd Koninkrijk (hierna: het Britse-onderzoek) naar een verdachte, genaamd [betrokkene 1]. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van een criminele burgerinfiltrant in de persoon van [getuige 1]. Uit de eigen verklaringen van [getuige 1] en uit de verklaringen van zijn runner [getuige 2], werkzaam bij de Metropolitan Police Service, blijkt immers dat [getuige 1] niet alleen informant was, maar ook met toestemming van de Britse autoriteiten criminele activiteit...Probreer vLex 3 dagen GRATIS
Alle juridische informatie van Nederland inclusief:
Probeer vLex 3 dagen zonder verplichtingen en kijk waarom u vLex nodig heeft..
3
dagen Gratis toegang
Als u al cliënt van vLex bent, Hier verder gaan