Datum beslissing:04-04-2006
Datum publicatie:04-04-2006
Type procedure:Cassatie
Rechtsgebied:Straf
Linken als:
http://nl.vlex.com/vid/39433482
Id. vLex: VLEX-39433482
Acceda a este documento
y pruebe vLex GRATIS durante 3 días
Voorwetenschap. 1. Reikwijdte uitzondering op verbod om te handelen met voorwetenschap. 2. Noodzakelijkheid transacties. 3. Rechtsdwaling. Ad 1a. Het verbod ex art. 46.1 (oud) Wte 1995 om, beschikkende over voorwetenschap, een transactie in effecten te bewerkstelligen, lijdt voorzover hier van belang ex art. 1.a (oud) Besluit ter uitvoering van art. 46.4 Wte 1995 slechts uitzondering indien opties, converteerbare obligaties, warrants dan wel soortgelijke rechten op aandelen of certificaten van aandelen worden toegekend in het kader van een personeelsregeling. Deze uitzondering dient strikt te worden uitgelegd. Dat brengt mee dat, ter voorkoming van gebruik van voorwetenschap, aan een personeelsregeling waarbij aan bestuurders en/of werknemers de bedoelde rechten worden toegekend, strenge eisen dienen te worden gesteld. Daarbij dient de instelling een bestendige gedragslijn te hanteren met betrekking tot de voorwaarden en periodiciteit van de regeling. Tot de eisen die aan zodanige personeelsregeling moeten worden gesteld wat betreft de toekenning aan bestuurders van opties en soortgelijke rechten, behoort, dat aan hen geen keuzevrijheid mag toekomen t.a.v. het accepteren van een pakket opties. Indien in de voorwaarden van de regeling deze keuzevrijheid van de bestuurders niet is uitgesloten, zal de betrokken bestuurder niet met vrucht een beroep kunnen doen op de voormelde uitzondering op het verbod op gebruik van voorwetenschap.
Vervolg inhoudsindicatie zie uitspraakLJN: AU4664, Hoge Raad, 00132/05 E
Vervolg inhoudsindicatie
Ad 1b. Door te oordelen dat de toekenning van opties aan de bestuurders is geschied i.h.k. van een in 1999 bestaande personeelsregeling bij X NV die voldeed aan de daaraan te stellen vereisten en dat de afwijkingen t.o.v. voorgaande jaren, waaronder het bestaan van een (kortere) periode waarbinnen de opties konden worden geweigerd, zulks niet anders maken, heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het ervan is uitgegaan dat niet van belang is of aan bestuurders keuzevrijheid t.a.v. het accepteren van de opties toekomt, heeft het miskend dat zodanige vrijheid in de weg staat aan een geslaagd beroep op de uitzondering van art. 1.a (oud) Besluit. Indien het hof dit niet heeft miskend, is gelet op hetgeen het hof in algemene zin heeft overwogen omtrent de mogelijkheid de opties te weigeren, zijn oordeel zonder nadere doch ontbrekende motivering niet begrijpelijk. Ad 2a. Het staat de rechter vrij de noodzaak van een bepaalde handelwijze vast te stellen a.d.h. van de voorliggende feiten. In dit licht bezien stond het het hof vrij de gehanteerde gedragslijn van voorgaande jaren mede in zijn oordeelsvorming te betrekken. Ad 2b. Door te overwegen dat het de raad van bestuur van X NV niet vrijstond zonder enige noodzaak af te wijken van de door de Stichting Y op dit punt uitgezette koers, heeft het hof geoordeeld dat het gelet op die omstandigheden aan het bestuur was een aannemelijke verklaring te geven waarom juist in 1999 door de vennootschap gekozen is voor het inkopen van aandelen i.p.v. het uitgeven van nieuwe aandelen. Ad 2c. De stelling dat de noodzaak tot het verrichten van transacties in effecten om te voldoen aan een leveringsverplichting zonder meer aanwezig is indien het aantal effecten in depot geringer is dan benodigd is om aan leveringsverplichtingen te voldoen, is in haar algemeenheid onjuist. Bij de beoordeling van de vraag of de transacties noodzakelijk waren om te voldoen aan de leveringsverplichting zal de rechter ook het tijdstip en de aard van de transactie in zijn overwegingen moeten betrekken. Het hof heeft de vraag of de transactie noodzakelijk was om te kunnen voldoen aan een verplichting tot levering van aandelen die voortvloeit uit i.h.k. van een personeelsregeling verleende en aanvaarde opties, beoordeeld aan de hand van bovenbedoelde omstandigheden. Die overwegingen zijn onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 3a. voor het slagen van een beroep op AVAS wegens dwaling t.a.v. de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid t.a.v. de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (HR NJ 1995, 631). Daarvan kan sprake zijn indien verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen (HR NJ 1961, 416). Bij de beoordeling van een daartoe strekkend verweer kunnen verschillende aspecten van belang zijn, waaronder de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur; de specifieke deskundigheid van de adviseur; de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen; de manier waarop en de omstandigheden waaronder het advies is ingewonnen en gegeven. Ad 3b. Het hof heeft zijn oordeel dat verdachte niet heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid t.a.v. de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging mede hierop gegrond dat, in het licht van de regel dat het met voorwetenschap verrichten van een transactie in beursgenoteerde aandelen in beginsel een strafbaar feit oplevert, op degene die met een beroep op een uitzondering op die regel toch een dergelijke transactie wil verrichten, de plicht rust zich zorgvuldig te informeren omtrent de vraag of hem een beroep toekomt op een dergelijke uitzondering. Naar 's hofs gemotiveerde oordeel is verdachte tekortgeschoten t.a.v. de zorgvuldigheid waarmee hij zich heeft laten informeren, zodat verdachte niet in redelijkheid op de deugdelijkheid van het door mr. Z gegeven advies mocht vertrouwen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede in het licht van hetgeen namens verdachte is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Ad 3c. De opvatting dat het de rechter niet is toegestaan zich in een overweging t.a.v. de strafbaarheid van verdachte te beroepen op feiten of omstandigheden die niet zijn opgenomen in de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt, vindt geen steun in het recht. De omstandigheid dat niet opzettelijk aan de geraadpleegde deskundige een onvoldoende genuanceerde vraag werd voorgelegd, staat aan afwijzing van het beroep op verontschuldigbare onbewustheid van de ongeoorloofdheid van de verweten gedraging niet in de weg.4 april 2006Strafkamernr. 00132/05 EIV/SMHoge Raad der NederlandenArrestop het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van...Probreer vLex 3 dagen GRATIS
Alle juridische informatie van Nederland inclusief:
Probeer vLex 3 dagen zonder verplichtingen en kijk waarom u vLex nodig heeft..
3
dagen Gratis toegang
Als u al cliënt van vLex bent, Hier verder gaan