Datum beslissing:23-03-2009
Datum publicatie:14-05-2009
Type procedure:Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied:Straf
Linken als:
http://nl.vlex.com/vid/57703876
Id. vLex: VLEX-57703876
Acceda a este documento
y pruebe vLex GRATIS durante 3 días
Veroordeling 40 jarige Rwandees Joseph M. tot 20 jaar gevangenisstraf wegens foltering (meermalen met de dood als gevolg) ten tijde van de genocide in Rwanda in 1994. Hoofdstuk 1: Korte omschrijving van de aan verdachte verweten zeven strafbare feiten, primair ten laste gelegd als oorlogsmisdrijf subsidiair als foltering. Hoofdstuk 2: De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 (oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht (WOS), respectievelijk artikel 5 van de Uitvoeringswet Folteringsverdrag (UFV) rechtsmacht. Hierbij is van belang dat verdachte in Nederland was ten tijde van de start van het onderzoek tegen hem. Hoofdstuk 3: Exposé van (de historische achtergrond van) de genocide in Rwanda in 1994. Hoofdstuk 4: De persoon van de verdachte. Verdachte wordt in de publicatie van het vonnis aangeduid als Joseph M. Hij heeft, zoals in Rwanda niet ongebruikelijk, een andere achternaam dan zijn (inmiddels overleden) vader; de achternaam van de vader is Murakaza. Hoofdstuk 5: Verslag van en verantwoording over het strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank wijst de kritiek van de verdediging op de kwaliteit van het onderzoek van de hand. Hoofdstuk 6: Uiteenzetting over de waardering van het bewijs door getuigen. De rechtbank formuleert, daarbij onder meer aansluitend bij het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de zaak K. (LJN BC 6068) een kader voor de toetsing van de geloofwaardigheid van de getuigen en betrouwbaarheid van hun verklaringen. Hoofdstukken 7 t/m 9: Bewezenverklaring van de aan verdachte verweten misdrijven tegen (i) een Duitse arts en diens Tutsi-vrouw welke met hun enkele maanden oude baby op de vlucht waren voor de genocide en (ii) de inzittenden van een ambulance (een Hutu-chauffeur, twee Tutsi-vrouwen met hun (ten minste vier) jonge kinderen en een 12-jarig Tutsi-meisje), welke op de vlucht waren voor de genocide. De twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen zijn daarbij met machetes en knuppels om het leven gebracht. Hoofdstukken 10 t/m 14: Vrijspraak van betrokkenheid van verdachte bij de overige aan hem verweten misdrijven wegens gebrek aan (betrouwbaar) bewijs. Hoofdstuk 15: De rechtbank komt tot het oordeel dat de misdrijven die verdachte heeft gepleegd niet als oorlogsmisdrijven zijn aan te merken. De daarvoor vereiste nauwe samenhang (nexus) tussen deze misdrijven en de gewapende strijd in Rwanda tussen het regeringsleger van Rwanda (de RAF) en het (voornamelijk uit Tutsi’s bestaande) rebellenleger van het Rwandan Patriotic Front, ontbreekt. De rechtbank stelt voorop dat de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven burgers beoogt te beschermen tegen de gevolgen van een oorlog tussen strijdende legermachten. Zij stelt vast dat in de prefectuur waar verdachte zijn misdrijven pleegde geen gevechtshandelingen plaatsvonden tussen de RAF en het RPF, dat verdachte geen militaire functie had, dat verdachte geen invloed had op het verloop van de gevechtshandelingen dan wel in speciale relatie tot stond het regeringsleger en dat zijn misdrijven geen enkel militair doel dienden en niet bijdroegen aan de verwezenlijking van het uiteindelijke doel van de RAF in haar strijd met het RPF. De rechtbank onderkent dat de gewapende strijd tegen het RPF het Rwandese regime een voorwendsel gaf voor etnisch geweld tegen de Tutsi-bevolking en dat de propaganda van dit regime, waarin alle Tutsi’s werden vereenzelvigd met het RPF, verdachte een motief en een vrijbrief verschafte voor zijn misdrijven. Deze enkele omstandigheid acht zij echter onvoldoende om een nexus aan te nemen. Hoofdstuk 16: De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte, een burger, zich heeft schuldig gemaakt aan folteringshandelingen, welke door overheidsfunctionarissen waren uitgelokt en opzettelijk toegelaten (strafbaar gesteld in artikel 2 onder b UFV). In dit hoofdstuk wordt per bestanddeel (mishandeling in de zin van de UFV, de kwaliteit van de dader als overheidfunctionaris, vrijheidsberoving van het slachtoffer, de eis dat de mishandeling plaatsvindt met een bijzonder oogmerk) aangegeven wat daaronder dient te worden volstaan en vervolgens het voorhanden bewijs daaraan getoetst. Dat gebeurt ook met de vereisten voor de deelnemingsvormen “uitlokken”en “opzettelijk toelaten”. Hoofdstuk 18: De vorderingen van drie benadeelde partijen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid is het recht van toepassing zoals dat gold voor de invoering van de wet-Terwee. Naar dat recht behoeft een vordering van een beledigde partij niet eenvoudig van aard te zijn om in een strafgeding te kunnen worden behandeld. De vorderingen van de Duitse arts en zijn vrouw worden toegewezen, elk tot het destijds geldende maximale bedrag van thans euro 680,67. De vordering van een nabestaande wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte van het betreffende feit wordt vrijgesproken. Hoofdstuk 19: Strafmotivering. De rechtbank overweegt onder meer dat de kwalificatie van het handelen van verdachte als foltering, meermalen met de dood als gevolg, zijn handelen niet minder ernstig maakt dan wanneer hij daarvoor had kunnen worden berecht ter zake van genocide dan wel de feiten gekwalificeerd hadden kunnen worden als oorlogsmisdrijven. Zij heeft bij de op te leggen straf mede in aanmerking genomen de straftoemeting bij het Rwanda-tribunaal en de huidige wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, waarbij ‘levenslang’ in de praktijk in beginsel ook echt ‘levenslang’ is (zie onder meer het advies van de RSJ d.d. 1 december 2006 en de aanvulling daarop d.d. 20 april 2008 alsmede de conclusie van A-G mr. Knigge van 30 september 2008 (LJN BF741). De rechtbank overweegt dat van een concreet recidivegevaar niet is gebleken en legt verdachte een gevangenisstraf op van 20 jaar, hoewel hiermee in onvoldoende mate recht wordt gedaan aan de ernst van de door hem gepleegde feiten.
LJN: BI2444, Rechtbank 's-Gravenhage, 09/750009-06 en 09/750007-07
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector StrafrechtMeervoudige strafkamerParketnummers 09/750009-06 en 09/750007-07Datum uitspraak: 23 maart 2009Tegenspraak(Promis)De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:Joseph [M.],geboren te [geboorteplaats] (Rwanda) op [geboortedatum]1968,adres: [adres],thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Penitentiair Complex Scheveningen Huis van Bewaring Unit 2.Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13, 14, 16, 17, 20, 21, 23, 24, 27, 28 oktober, 3, 10, 11, 17, 18, 19, 24 november, 1 en 4 december 2008, 2 februari en 9 maart 2009.De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H.C.M. van Bruggen en W.N. Ferdinandusse en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.B.G.T. von Bóné, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.Hoofdstuk 1: De beschuldiging en de eis1. Verdachte staat terecht voor betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten die zouden zijn gepleegd in Rwanda in de periode april tot en met juli 1994. Deze feiten zijn omschreven in de dagvaardingen met de parketnummers 09/750009-06 (dagvaarding I)(1) en 09/750007-07 (dagvaarding II)(2). De beide dagvaardingen zijn gevoegd behandeld.2. De beschuldigingen op dagvaarding I houden kort gezegd het volgende in:I: Verdachte heeft samen met anderen op of omstreeks 13 april 1994 in Birogo (prefectuur Kibuye) een ambulance tot stoppen gedwongen. Deze ambulance werd bestuurd door [getuige 1] en daarin zaten twee Tutsi-vrouwen (Dativa en Brigitte) met hun kinderen en een meisje met de naam [getuige 2]. Nadat de ambulance had moeten stoppen, heeft verdachte samen met anderen deze gedwongen naar het nabijgelegen Mugonero te rijden. Tijdens deze rit is de ambulance omsingeld door belagers waarbij wapens zijn getoond en is er op de ambulance geslagen. Tevens schreeuwden de mensen die de ambulance omsingelden woorden als 'Inkotanyi'. In Mugonero zijn de inzittenden gedwongen om uit te stappen. Daarbij zijn dreigementen geuit onder meer door te zeggen "Voordat de kakkerlakken gedood worden, moet eerst de chauffeur gedood worden". Vervolgens zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen geslagen/ neergehakt met machetes, knuppels en/of andere wapens. Ten gevolge hiervan hebben alle inzittenden langdurig voor hun leven moeten vrezen, zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen overleden (waarna een aantal van deze kinderen in het Kivumeer is gegooid) en hebben [getuige 1] en [getuige 2] (zwaar) lichamelijk letstel ondervonden.II: Verdachte heeft samen met anderen op 16 april 1994 in Mugonero met allerlei wapens Tutsi-burgers, waaronder vrouwen en kinderen, die zich op het Zevendedags Adventistencomplex bevonden, aangevallen. Verdachte en anderen hebben op deze burgers geschoten, hen met machetes, knuppels en andere wapens neergehakt en geslagen en traangas geworpen in gebouwen waarin een deel van de Tutsi's zich had verstopt. Aldus zijn deze personen in een situatie gebracht waarin zij langdurig voor hun leven en het leven van hun familie en vrienden en bekenden hebben moeten vrezen. Tengevolge van deze aanval is een groot aantal van hen overleden en hebben één of meer van hen (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen.III: Verdachte heeft samen met anderen op 27 april 1994 in Mugonero aan [getuige 3], haar partner [getuige 4] en hun baby [B1] bij een wegversperring de doorgang geweigerd. Aan hen zijn openlijk wapens getoond en is voor hen hoorbaar geweest dat er gesproken werd in bewoordingen zoals 'kakkerlak(ken)', 'Kijk maar goed naar die Tutsi-vrouw, dat zijn het soort mensen die de president hebben vermoord', 'Wil je soms als een Tutsi worden behandeld', 'Je mag kiezen of je in Kibingo, in Mugonero of in Gishyita gedood wordt', 'Kijk eens hoe slecht die Tutsi's zijn, ze lachen zelfs als we ze gaan doden' en 'Hutu-power'. Ten gevolge hiervan werd [getuige 3] in een situatie gebracht waarin zij langdurig voor haar leven en het leven van haar zoon heeft moeten vrezen, terwijl zij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd. [getuige 4] werd hierbij in een situatie gebracht waarbij hij langdurig moest vrezen voor het leven van zijn partner, [getuige 3], en het leven van zijn zoon, [zoon], terwijl hij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd.3. De beschuldigingen op dagvaarding II houden kort gezegd het volgende in:Ia: Verdachte heeft samen met anderen op 13 mei 1994 op of nabij de Muyira heuvel, in het gebied Bisesero, een vrouw genaamd Consolata Mukamurenzi vastgepakt, naar de grond geduwd en tegen haar gezegd: 'Als je niet vertelt waar ze zijn, zullen we jou vermoorden. Als je het wel vertelt, zullen we jou met rust laten.' Vervolgens heeft verdachte tegen zijn mededaders gezegd dat zij haar mochten verkrachten en dat ...Probreer vLex 3 dagen GRATIS
Alle juridische informatie van Nederland inclusief:
Probeer vLex 3 dagen zonder verplichtingen en kijk waarom u vLex nodig heeft..
3
dagen Gratis toegang
Als u al cliënt van vLex bent, Hier verder gaan