Herziening van Gerechtshof 's-Gravenhage, 26 maart 2010

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:26 maart 2010
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Herzieningsverzoek biedt geen gronden voor de conclusie dat het Hof in 1994 bij bekendheid van of alsnog aannemelijk gemaakte feiten of omstandigheden redelijkerwijs tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Arrest EHRM 9 november 2004, nr. 46300/99, en de aanloop naar dat arrest staan los van de beoordeling van het herzieningsverzoek.

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummers BK-09/00024 en BK-09/00040

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 26 maart 2010

op de verzoeken van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. en [Y] B.V., beide gevestigd te [Z] (hierna: verzoeksters), van 4 januari 2009 tot herziening van na te noemen uitspraken.

Naheffingsaanslagen, bezwaar, beroep, beroep in cassatie en andere procedures

1.1. De Inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te [P], thans: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst [Q], heeft verzoeksters op 26 februari 1991 en op 4 maart 1991 naheffingsaanslagen in de loonbelasting opgelegd ten bedrage van respectievelijk ƒ 1.394.393 en ƒ 448.121, beide met een verhoging van honderd percent van de nageheven belasting.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.3. Verzoeksters hebben van de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Hof. Bij uitspraken van 26 september 1994, nrs. 91/3840 en 91/3841, waarvan thans verzoeksters herziening hebben verzocht, heeft het Hof de uitspraken op bezwaar bevestigd.

1.4. De Hoge Raad heeft bij zijn arresten van 17 januari 1996, nr. 30.734 en nr. 30.735, de beroepen in cassatie van verzoeksters tegen 's Hofs uitspraken verworpen.

1.5. De verhogingen zijn door tijdsverloop komen te vervallen.

1.6. Verzoeksters zijn bij vonnis van de rechtbank Middelburg strafrechtelijk veroordeeld. In het kader van het door verzoeksters tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep is in plaats van verdere vervolging door de advocaat-generaal tevergeefs een verzoekprocedure tot gratieverlening aangevangen. Ter gelegenheid van het indienen van het gratieverzoek hadden verzoeksters hun hoger beroep ingetrokken. In het hernieuwd tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg ingestelde hoger beroep zijn verzoeksters uiteindelijk door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

1.7. In zijn arrest van 9 november 2004, nr. 46300/99, heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EHRM) beslist dat deze gang van zaken in het Nederlandse strafprocesrecht niet in overeenstemming is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat daarmee sprake is van schending van artikel 6 van dat Verdrag (hierna: het arrest van het EHRM).

1.8. Op 1 augustus 2006 heeft [A], via zijn houdstermaatschappij enig aandeelhouder en directeur van verzoeksters, namens verzoeksters de minister van Financiën verzocht om vergoeding wegens materiële schade.

1.9. In het kader van de vordering tot schadevergoeding heeft de Inspecteur, op verzoek van de minister van Financiën een onderzoek ingesteld naar de gang van zaken rond het opleggen van de naheffingsaanslagen. Daarvan is op 20 november 2006 een door mr. [B] (hierna: mr. [B]), destijds de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst [Q], ondertekend ambtsbericht met bijlagen uitgebracht aan het Directoraat-generaal van de Belastingdienst (hierna: het ambtsbericht). Bij brief van 5 maart 2007 heeft de minister de vordering afgewezen.

1.10. [A] heeft op 24 september 2008 namens verzoeksters verzocht om inzage in het ambtsbericht. De Inspecteur heeft die inzage geweigerd. Van die weigering zijn verzoeksters, zich baserend op de Wet openbaarheid bestuur, in beroep gekomen bij de rechtbank Middelburg.

Loop van het geding in herziening

2.1. Op 14 januari 2009 hebben verzoeksters bij het Hof verzocht om herziening van 's Hofs uitspraken van 26 september 1994, nrs. 91/3840 en 91/3841. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 288.

2.2. Bij de verzoeken is verzocht om inzage in het ambtsbericht.

2.3. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij ten aanzien van het verzoek om inzage in het ambtsbericht een beroep gedaan op de artikelen 8:42 en 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.4. Bij uitspraak van 11 augustus 2009 heeft de eerste meervoudige kamer van het Hof het verzoek om geheimhouding afgewezen, bepaald dat aan verzoeksters een afschrift van het ambtsbericht met de bijlagen wordt toegezonden en iedere verdere beslissing aangehouden. Voorts heeft het Hof verzoeksters in de gelegenheid gesteld om zich binnen vier weken na de verzending van het ambtsbericht uit te laten omtrent de inhoud daarvan, waarna de Inspecteur op die uitlating reageert.

2.5. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 februari 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.6. Voorafgaand aan de zitting hebben verzoeksters op 25 januari 2010 een brief met nadere stukken aan het Hof gezonden. Van de brief en de stukken heeft de Inspecteur kennis kunnen nemen.

De uitspraken waarop het verzoek betrekking heeft

  1. In de uitspraken waarvan de herziening is verzocht, heeft het Hof onder meer het navolgende overwogen (waarbij voor 'belanghebbende' '[Y] B.V.' (hierna ook: [Y]) en '[X] B.V.' (hierna ook: [X]) mutatis mutandis de andere verzoekster kan worden gelezen, zulks met uitzondering van de tekst tussen blokhaken):

    "6. Overwegingen omtrent het geschil.

    6.1. Gezien de inhoud van het FIOD-rapport acht het Hof de feiten en omstandigheden als vermeld in de onder 3.3 weergegeven memorie van toelichting aannemelijk. Op grond van die feiten en omstandigheden is het Hof van oordeel dat de loonadministratie van belanghebbende zodanig onvolledig en onbetrouwbaar moet worden aangemerkt dat deze wat het onderhavige tijdvak betreft niet kan dienen als grondslag voor de berekening van de verschuldigde loonbelasting. Het Hof merkt in dit verband nog op dat het daarbij mede acht heeft geslagen op de door [A] tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde verklaringen. Hoewel [A] voornoemd tijdens het door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Middelburg op 27 oktober 1992 gehouden verhoor heeft gezegd dat hij alle verklaringen die hij na de inbewaringstelling heeft afgelegd, wil intrekken, is niet aannemelijk geworden dat hij bedoelde verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd en dat deze niet aan hem zijn voorgelezen alvorens deze door hem zijn ondertekend. Mitsdien bestaat er geen aanleiding om aan die verklaringen voorbij te gaan.

    6.2. Beoordeeld naar de in het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1992, BNB 1992/306*, vervatte richtlijnen omtrent de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs, is naar 's Hofs oordeel niet aannemelijk geworden dat het gebruik door de Inspecteur van de aan het FIOD-onderzoek ontleende bewijsmiddelen ontoelaatbaar moet worden geacht.

    6.3. Tegenover de betwisting door de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur bij zijn bewijsvoering gebruik heeft gemaakt van gegevens die hij onbevoegdelijk, dat wil zeggen: in strijd met algemene beginselen van behoorlijk procesrecht (Hoge Raad 10 februari 1988, BNB 1988/160), van belanghebbende heeft verkregen.

    6.4. Bij gebreke van een volledige en betrouwbare loonadministratie dient de heffingsgrondslag voor de loonbelasting zo goed mogelijk te worden benaderd.

    6.5. Ter bepaling van die grondslag is de Inspecteur ervan uitgegaan dat 75 percent van de reiskostenvergoedingen en feestdagenuitkeringen in feite als nettoloonbetalingen ten goede zijn gekomen aan werknemers van belanghebbende en dat deze onderworpen hadden moeten worden aan de inhouding en afdracht van loonbelasting. Na brutering van deze nettoloonbetalingen heeft de Inspecteur de verschuldigde loonbelasting vastgesteld met toepassing van een tarief van 25 percent.

    6.6. Van deze door de Inspecteur gevolgde wijze van benadering, zoals nader uiteengezet in punt 3.5 van het vertoogschrift, kan niet worden gezegd dat deze onder de gegeven omstandigheden van dit geval niet in redelijkheid kan worden gehanteerd.

    6.7. Voor zover belanghebbende zich erover heeft beklaagd dat de Inspecteur de desbetreffende bedragen, waarop hij het percentage van 75 heeft toegepast, onjuist heeft weergegeven, faalt deze klacht, aangezien de Inspecteur in het vertoogschrift (bladzijde 36, vierde alinea) voor de verschillen in de gehanteerde cijfers een aannemelijke verklaring heeft gegeven.

    6.8. Wat de door belanghebbende bestreden brutering betreft geldt het volgende. Naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld zijn de bescheiden aan de hand waarvan de contante loonbetalingen zijn gedaan bij het onderzoek niet aangetroffen en zijn volgens directeur [A] alle uitbetalingsgegevens vernietigd. Uit het FIOD-rapport blijkt voorts dat de lijsten van uitbetaling na de uitbetaling werden weggegooid en dat [A] niet wilde dat die lijsten werden bewaard. Tegenover voornoemde rechter-commissaris heeft [A] als vertegenwoordiger van belanghebbende in dit verband verklaard: "De bedragen die per individuele werknemer werden uitbetaald stonden vermeld op de uitbetalingslijsten die werden weggegooid. De betalingen die per individuele werknemer werden gedaan zijn dus niet meer terug te vinden in de administratie." Uit deze gang van zaken volgt dat belanghebbende het ten tijde van de uitbetaling al onmogelijk heeft gemaakt om een eventuele naheffingsaanslag in de loonbelasting te verhalen. Bij gebrek aan concrete gegevens zal belanghebbende er immers niet in slagen tegenover de werknemer(s) te bewijzen dat aan hem (hen) loon is betaald, laat staan dat de bedoeling van een bruto loonbetaling voorzat. Belanghebbende moet hebben begrepen dat als de fiscus de loonbetalingen zou ontdekken de fiscale gevolgen geheel voor rekening van belanghebbende zouden blijven. Het is dan ook aannemelijk dat belanghebbende de onderwerpelijke loonbetalingen heeft gedaan onder omstandigheden die verhaal op de werknemer van de ten onrechte achterwege gebleven inhoudingen bij voorbaat uitsluiten (vgl...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT