Voorlopige voorziening+bodemzaak van Gerechtshof 's-Gravenhage, 1 juni 2010

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 1 juni 2010
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Verzoeker heeft op 1 februari 2007 bij de Staatssecretaris een verzoek ingediend om hem een schadevergoeding toe te kennen. De Staatssecretaris heeft op 2 april 2007 op dit verzoek beslist. Het besluit van de Staatssecretaris betreft naar het oordeel van het Hof echter niet een ingevolge de belastingwet genomen besluit als bedoeld in artikel 26 van de Awr, zodat de in artikel 26 van de Awr... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00801 en BK-09/00830

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 1 juni 2010

ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van [belanghebbende] te [Z] (hierna: verzoeker), betreffende het hierna te noemen besluit van 2 april 2007 (hierna: het besluit) van de staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) alsmede op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 oktober 2009, AWB 08/4197, betreffende het besluit en het incidenteel hoger beroep van de Staatssecretaris.

Besluit, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1. Bij brief van 1 februari 2007 heeft verzoeker aan de Staatssecretaris een verzoek gedaan hem een schadevergoeding toe te kennen van ƒ 2.800.000 in verband met aan verzoeker opgelegde aanslagen en navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting over de jaren 1975 tot en met 1978 en een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over de periode 1 juli 1977 tot en met 31 december 1979.

1.2. Bij het besluit heeft de Staatssecretaris het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij de Staatssecretaris op 3 mei 2007. De Staatssecretaris heeft geen uitspraak gedaan op het bezwaar.

1.3. Verzoeker heeft wegens het uitblijven van een uitspraak op het bezwaar, beroep bij de rechtbank ingesteld, dat is ingekomen op 4 juni 2008. De rechtbank heeft bij voormelde uitspraak het beroep gegrond verklaard, het besluit van de Staatssecretaris vernietigd, vastgesteld dat geen grond is voor schadevergoeding, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en de Staat gelast het door verzoeker in beroep betaalde griffierecht van € 39 te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Verzoeker is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof en heeft daarbij om een voorlopige voorziening verzocht. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Staatssecretaris heeft in hoger beroep een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij een verweerschrift ingediend met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

2.2. Voorafgaand aan de zitting zijn van verzoeker op 1 december 2009, 2 februari 2010, 23 februari 2010, 25 februari 2010 en 8 april 2010 nadere stukken ontvangen die in afschrift aan de Staatssecretaris zijn toegezonden. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 20 april 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar is de Staatssecretaris verschenen. Verzoeker heeft medegedeeld niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn en heeft niet verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting is tevens behandeld het verzoek om voorlopige voorziening betreffende het besluit van 2 april 2007.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende vast:

3.1. De inspecteur der directe belastingen, 1e afdeling te Rotterdam (hierna: de inspecteur), heeft op respectievelijk 31 december 1980 en 19 augustus 1981 aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen met verhoging opgelegd over de jaren 1975 tot en met 1977. Op 30 november 1981 is aan belanghebbende over het jaar 1978 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd. Op 27 juli 1982 is aan belanghebbende over de periode 1 augustus 1977 tot en met 31 december 1979 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting met verhoging opgelegd.

3.2. De inspecteur heeft op 7 april 1982 de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting 1977 ambtshalve verminderd. Het bezwaar tegen de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1978 is door de inspecteur bij uitspraak van 18 augustus 1982 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Op 26 augustus 1983 heeft het Hof uitspraak gedaan in beroep betreffende die aanslag.

3.3. Het Hof heeft bij uitspraak van 16 april 1999, BK-95/02355 het beroep van verzoeker tegen de navorderingsaanslagen en de naheffingsaanslag wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet door verzoeker tegen deze uitspraak is bij uitspraak van 1 oktober 1999, BK-95/02355 ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft bij arrest van 11 oktober 2000, nr...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT