Voorlopige voorziening+bodemzaak van Gerechtshof 's-Gravenhage, 6 juli 2010

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 6 juli 2010
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Het aangaan van een borgtochtovereenkomst waarbij de a-b-houder zich verbindt om in de toekomst, na aansprakelijkstelling door de schuldeiser van de BV, hem toebehorende vermogenbestanddelen aan te wenden ter delging van een schuld die de vennootschap dan zal blijken te hebben, kan niet vanaf het moment van het aangaan af kan worden gelijkgesteld met het ter beschikkingstellen van... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00068

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 6 juli 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 december 2007, AWB 07/7574 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond, voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.477.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt bij de Inspecteur en op 31 juli 2007 bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De tegen de aanslag gerichte bezwaren van belanghebbende zijn door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 21 september 2007 afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft vervolgens beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 8 september 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2.3. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen van belanghebbende betreffende de aan hem opgelegde voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2006, BK-08/00069 en de verliesverrekeningsbeschikkingen over de jaren 2002, 2003 en 2004, BK-08/00067. Al hetgeen partijen in een van deze zaken hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd wordt geacht tevens te zijn aangevoerd en te zijn overgelegd in de overige zaken. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Met toestemming van partijen is een nadere mondelinge behandeling achterwege gebleven.

2.5. Bij brief van 29 april 2010 heeft het Hof partijen bericht dat de samenstelling van de kamer is gewijzigd in verband met het defungeren van een van de leden en partijen bericht over de nieuwe samenstelling van de kamer. Partijen hebben daarop schriftelijk te kennen gegeven geen prijs te stellen op een nieuwe mondelinge behandeling.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende vast:

3.1. Belanghebbende is voor een gedeelte van 50 percent, via de door hem beheerste besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] BV, aandeelhouder in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] BV die op haar beurt de aandelen houdt in [C] BV (hierna: [C] BV), gevestigd te [P]. Belanghebbende was directeur van [C] BV. [C] BV exploiteerde een groothandel in computercomponenten. Sinds maart 2005 wordt het andere gedeelte van 50 percent middellijk gehouden door [D]. Belanghebbende is gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met mevrouw [E].

3.2. [C] BV heeft kredietovereenkomsten gesloten met Fortis Bank (Nederland) BV (hierna: de Fortis Bank). Op 15 november 2004 heeft belanghebbende zich hoofdelijk als borg verbonden voor hetgeen deze bank blijkens haar administratie te vorderen heeft of zal hebben van [C] BV uit hoofde van verstrekte of nog te verstrekken geldleningen, kredieten in rekening-courant of tegenwoordige dan wel toekomstige borgstellingen tot een maximum van € 500.000, te vermeerderen met de overeenkomstig de wet verschuldigde rente. [D] heeft zich op dezelfde wijze borg gesteld. Daarnaast heeft aan de Fortis Bank verpanding van vorderingen, voorraden, rechten uit de kredietverzekering, inventaris en bedrijfsuitrusting plaatsgevonden en is borg verleend door [B] BV, gevestigd te [P], voor de schulden van [C] BV.

3.3. Op 17 mei 2005 heeft de FIOD/ECD bij [C] BV een onderzoek ingesteld naar het leveren van nepartikelen. Het OM heeft met belanghebbende en [D] als degenen die na 1 januari 2005, en voor die datum samen met [F], de dagelijkse leiding hadden over de vennootschap een schikking ter voorkoming van (verdere) vervolging getroffen.

3.4. Per 1 december 2005 zijn het klantenbestand, goodwill en voorraden van [C] BV overgenomen door [G] BV, gevestigd te [Q], van welke vennootschap de echtgenote van belanghebbende tot 31 december 2005 de enige aandeelhoudster is en daarna voor 90 percent aandeelhoudster. Eind december 2005 zijn geen werknemers meer in dienst van [C] BV en zijn de activiteiten gestaakt.

3.5. Op 13 februari 2006 hebben belanghebbende en [D] met de Fortis Bank een bespreking gehouden. Tijdens dat gesprek heeft Fortis Bank de kredietfaciliteit van [C] BV opgezegd en belanghebbende en [D] aangesproken op hun borgstelling. In de brief van Fortis Bank van 15 februari 2006 is het volgende omtrent deze bespreking vermeld:

Gedurende het gesprek heeft u ons aangegeven, dat;

- U ons in het verleden niet volledig geïnformeerd heeft over uw bedrijfsvoering;

- U ons onjuiste gegevens heeft verstrekt inzake uw debiteurenadministratie;

- De inkomsten sinds mei 2005 buiten de onderneming worden omgeleid;

- Er in mei 2005 een inval van de FIOD heeft plaatsgevonden, waarover wij tot aan het gesprek van 13 februari 2006 toe niet geïnformeerd waren;

- De heren [D] en [belanghebbende] uit hoofde van de door hun afgegeven borgstellingen uit de huidige inkomsten gezamenlijk EUR 100.000,- per maand te willen betalen ter voldoening van de huidige debetstand;

- De heren [belanghebbende] en [D] binnen twee weken inlichten over omvang en de grondslag van hun huidige inkomsten zullen geven;

- Zij tevens uit hoofde van de door hen aan Fortis Bank (Nederland) NV afgegeven borgstelling ons binnen twee weken inzicht zullen verschaffen omtrent hun vermogens- en inkomstenbelasting 2004 en 2005.

3.6. Vervolgens hebben [C] BV, belanghebbende en [D] (hierna: partijen) de geldigheid van de borgstelling betwist aangezien bij een nieuwe op 4 maart 2005 gesloten kredietovereenkomst de echtgenoten van belanghebbende en [D] geen toestemming voor de borg zouden hebben gegeven. Van de zijde van de Fortis Bank is dat op 8 maart 2006 weersproken met de stelling dat de in november 2004 bij de eerste kredietovereenkomst verstrekte borgtocht mede betrekking had op eventuele toekomstige aan [C] te verstrekken kredieten. Van de zijde van de Fortis Bank werd in die brief de verbazing uitgesproken over de flinke daling van het uitstaande debiteurensaldo sinds november 2005.

3.7. Belanghebbende heeft...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT