Eerste aanleg - enkelvoudig van Gerechtshof Amsterdam, September 23, 2010

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2010/09/23
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
SAMENVATTING

KB-Luxzaak. Het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende in kennis gesteld van zijn vermoeden dat belanghebbende gedurende de gehele door de inspecteur in aanmerking genomen periode houder was van KB-Luxrekeningen. De gemachtigde reageert daarop met een verwijzing naar de reactie van een andere gemachtigde op het ten aanzien van diens cliënten geuite vermoeden. Die andere gemachtigde heeft... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van [X] te [Z], belanghebbende,

tegen

in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, de inspecteur.

  1. Loop van het geding

    1.1. Op 13 juli 2004 is ter griffie een beroepschrift ontvangen, ingediend door mr. L.M. Lalji, advocaat te Amsterdam, de gemachtigde. Het beroepschrift is bij schrijven van 26 januari 2005 door de gemachtigde gemotiveerd.

    1.2. Het beroep is gericht tegen de uitspraken van de inspecteur betreffende aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) voor de jaren 1990 tot en met 2000 en in de vermogensbelasting (hierna: VB) voor de jaren 1991 tot en met 2000 (hierna gezamenlijk: de navorderingsaanslagen), alsmede tegen de uitspraken betreffende de kwijtscheldingsbesluiten ter zake van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen, respectievelijk de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen jegens belanghebbende genomen boetebeschikkingen (hierna gezamenlijk: de boetebeschikkingen). Voorts wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraken van de inspecteur betreffende de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen genomen beschikkingen inzake in rekening gebrachte heffingsrente (hierna: de beschikkingen heffingsrente).

    1.3. De navorderingsaanslagen zijn opgenomen onder 3.3. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente is bij de bestreden uitspraken, alle gedagtekend 8 juli 2004, afgewezen.

    1.4. Het beroep strekt primair tot vernietiging van de uitspraken, de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente, subsidiair tot vernietiging van de uitspraken en vermindering van de navorderingsaanslagen (en de daarop gebaseerde boetes en heffingsrente) en meer subsidiair tot vernietiging van de boetebeschikkingen, alsmede tot (gedeeltelijke) kwijtschelding van de verhogingen dan wel vermindering van de opgelegde boetes.

    1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep, met inachtneming van – naar het Hof verstaat – de conclusie tot ambtshalve vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PV en VB voor de jaren 1999 en 2000.

    1.6. Het beroep is daarna gezamenlijk behandeld met acht andere eveneens op 13 juli 2004 ter griffie ingekomen beroepen betreffende in het kader van het Rekeningenproject opgelegde navorderingsaanslagen die door de gemachtigde zijn ingediend, alsmede met het onder kenmerk 04/03175 ingeschreven beroep inzake een in het kader van het Rekeningenproject opgelegde navorderingsaanslag in de VB voor het jaar 1998, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2004. De op 13 juli 2004 ingekomen beroepen zijn bij het gerechtshof ingeschreven onder de kenmerknummers 04/02749 t/m 04/02757.

    1.7. De hierna genoemde stukken zijn door de gemachtigde in enkelvoud ingediend ten behoeve van alle voornoemde beroepen gezamenlijk, tenzij anders is vermeld.

    1.8. Inzake een door mr. S. Bharatsingh te Hilversum ingediend beroep betreffende in het kader van het Rekeningenproject opgelegde navorderingsaanslagen en genomen boetebeschikkingen heeft op 3 februari 2006 een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Tijdens dit onderzoek is door de vertegenwoordiger van mr. Bharatsingh verzocht de zaken van zijn cliënten en die van de gemachtigde gezamenlijk te behandelen. Mr. Bharatsingh heeft bij brief van 8 februari 2006 medegedeeld dat door hem ingediende stukken mede betrekking hebben op de door de gemachtigde ingediende beroepen betreffende in het kader van het Rekeningenproject opgelegde navorderingsaanslagen en daarbij genomen boetebeschikkingen. De bij die brief ingediende stukken zijn kopieën van aan de inspecteur gerichte brieven, alsmede een brief aan het Hof met daarin een verzoek tot openbaarmaking van het door de Belastingdienst gehanteerde Draaiboek en de Nieuwsbrieven.

    1.9. De griffier heeft partijen bij brief van 15 februari 2006 meegedeeld dat de Eerste Meervoudige Belastingkamer de beroepen voor wat betreft de "8:29/8:42-procedure" heeft verwezen naar de Derde Meervoudige Belastingkamer. Hiertoe zijn door de Eerste Meervoudige Belastingkamer de volledige procesdossiers van de beroepen aan de Derde Meervoudige Belastingkamer ter beschikking gesteld.

    1.10. Voor het verloop van de 8:29/8:42-procedure verwijst het Hof naar hetgeen daarover is opgenomen in de door de Derde Meervoudige Belastingkamer gedane tussenuitspraak van 20 juni 2006 (hierna: de tussenuitspraak). In de tussenuitspraak is geoordeeld dat een beperking van de kennisname van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven tot in de uitspraak aangegeven gedeelten (hierna: de Amsterdamse versie) gerechtvaardigd moet worden geacht. Vervolgens heeft de inspecteur de gemachtigde de Amsterdamse versie doen toekomen.

    Na verzending van de tussenuitspraak zijn de procesdossiers weer ter beschikking gesteld aan de Eerste Meervoudige Belastingkamer. Die kamer heeft geen kennis genomen van de aan de Derde Meervoudige Belastingkamer ter beschikking gestelde integrale versies van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven, welke versies in verzegelde enveloppen op het gerechtshof worden bewaard. De Eerste Meervoudige Belastingkamer heeft de behandeling van de beroepen weer overgenomen.

    1.11. In verband met de vaststelling van data voor nadere onderzoeken ter zitting en verzoeken van mr. Bharatsingh getuigen en deskundigen te horen en de inspecteur te gelasten nadere stukken over te leggen zijn na te noemen brieven verzonden:

    - door mr. Bharatsingh: gedagtekend 12 oktober 2006, 16 november 2006, 21 november 2006, 1 december 2006, 4 december 2006, 14 december 2006, 21 december 2006, 9 januari 2007, 15 januari 2007 en 31 januari 2007;

    - door de inspecteur: gedagtekend 4 januari 2007 en

    - door de griffier: gedagtekend 8 november 2006, 17 november 2006, 18 december 2006, 15 januari 2007 en 22 januari 2007.

    1.12. Van het verhandelde ter zittingen van 15 december 2006, 2 februari 2007 en 2 maart 2007 zijn processen-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften op respectievelijk 15 januari 2007, 14 februari 2007 en 15 maart 2007 aan partijen zijn gezonden. Een afschrift van het proces-verbaal van de als getuige afgelegde verklaring van A.J. Apeldoorn op 2 februari 2007 is op 12 februari 2007 aan partijen gezonden. Bij brief van 8 maart 2007 heeft de griffier de in die brief genoemde stukken naar de gemachtigde gezonden.

    1.13. Bij brief van 7 februari 2007 heeft de inspecteur nadere stukken ingezonden. Van deze stukken is bij brief van 8 maart 2007 een afschrift naar de gemachtigde gezonden.

    1.14. De griffier heeft bij brief van 5 maart 2007 partijen in de gelegenheid gesteld opgaaf te doen van eventueel door hen te leveren getuigenbewijs. De inspecteur heeft telefonisch laten weten van deze gelegenheid geen gebruik te maken. Mr. Bharatsingh heeft deze opgaaf gedaan bij brief van 30 maart 2007. Bij brief van 24 mei 2007 heeft de griffier meegedeeld dat het Hof het verzoek tot het horen van deze getuigen heeft afgewezen.

    1.15. Bij brief van 6 november 2007 heeft mr. Bharatsingh een nader stuk ingestuurd, waarvan een afschrift bij brief van 8 november 2007 aan de inspecteur is gezonden.

    1.16. Het onderzoek ter zitting van 16 november 2007 is geschorst in verband met een mede namens de gemachtigde ingediend verzoek tot wraking van de zitting hebbende leden van de Eerste Meervoudige Belastingkamer, welk verzoek door de Eerste Meervoudige Burgerlijke Kamer (wrakingskamer) bij beschikking van 16 november 2007, nr. R07/1278, ongegrond is verklaard. Na hervatting van het onderzoek is mede op verzoek van de gemachtigde de door mr. Bharatsingh meegebrachte S. Roels als getuige gehoord. Het proces-verbaal van de door S. Roels afgelegde verklaring is ter zitting aan partijen uitgereikt. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 8 januari 2008 aan partijen is gezonden.

    1.17. Bij brief van 6 december 2007 heeft de griffier de gemachtigde in de gelegenheid gesteld te reageren op het in die brief weergegeven voorlopige oordeel van het Hof. De gemachtigde heeft bij brief van 9 januari 2008 meegedeeld dat mr. Bharatsingh van deze gelegenheid gebruik zal maken. Mr. Bharatsingh heeft bij brief van 8 januari 2008 gereageerd op het voorlopige oordeel van het Hof, waarna de inspecteur bij brief van 4 februari 2008 daarop heeft gereageerd. Een afschrift van deze laatste brief is bij brief van 7 februari 2008 naar mr. Bharatsingh gezonden.

    1.18. Van het verhandelde ter zitting van 22 februari 2008 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is gezonden bij brief van 9 mei 2008. Bij brief van 9 mei 2008 heeft de griffier de gemachtigde gevraagd of zijn ter zitting van 22 februari 2008 gedane mededeling dat hij de verdediging staakt meebrengt dat hij geen gemachtigde is.

    Deze vraag is herhaald bij brief van 5 juni 2008, waarin is vermeld dat bij het achterwege blijven van een reactie zal worden aangenomen dat de gemachtigde niet terugtreedt als gemachtigde in dit beroep. Van de gemachtigde is geen reactie op deze brief ontvangen.

    1.19. Bij brief van 4 april 2008 heeft de gemachtigde een afschrift ingezonden van een ontvangstbevestiging van de Europese Commissie inzake een door mr. Bharatsingh op 25 maart 2008 naar de Europese Commissie gestuurde brief over Belastingen/Douane.

    1.20. Bij brief van 23 mei 2008 heeft mr. Bharatsingh verzocht tot heropening van het onderzoek in verband met de door de Hoge Raad op 25 april 2008 gewezen arresten inzake de toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij brief van 30 mei 2008 heeft het Hof dit verzoek afgewezen en de brief geretourneerd.

    Bij brief van 23 juni 2008 heeft de griffier partijen bericht dat het onderzoek zal worden heropend in verband met het door de Hoge Raad op 9 mei 2008 gewezen arrest nr. 41.255.

    De...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT