Herziening van Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 oktober 2010

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 6 oktober 2010
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
SAMENVATTING

Vrijspraak na herziening. Het hof acht bekennende verklaringen verdachte onvoldoende betrouwbaar.

 
GRATIS UITTREKSEL

Parketnummer: 20-002431-09

Uitspraak : 6 oktober 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op de voet van artikel 467 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen in de strafzaak tegen:

P.

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum),

wonende te (adres)

Dit arrest heeft de navolgende indeling:

  1. Voorgeschiedenis

  2. Onderzoek van de zaak

  3. Novum

  4. Verder onderzoek

  5. Tenlastelegging

  6. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

  7. Bewijsuitsluiting

  8. Bewijswaardering

  9. Beslissing in herziening

  10. Voorgeschiedenis

    Op vrijdag 22 augustus 1986 tussen 19.20 uur en 19.30 uur is in een bejaardenwoning te [pleegplaats] het lichaam aangetroffen van [slachtoffer]. De terstond gewaarschuwde huisarts [huisarts] stelde vast dat zij was overleden. In de hals van het slachtoffer vond hij een rode striem, waardoor hij het vermoeden kreeg van een onnatuurlijke dood. Bij sectie bleek dat zij inderdaad door ‘uitwendig mechanisch samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals (strangulatie)’ om het leven was gekomen. Het onderzoek was inmiddels opgedragen aan een recherchebijstandsteam. Uit dit onderzoek bleek dat op 23 augustus 1986 een aantal aan het slachtoffer toebehorende kascheques waren verzilverd; geconcludeerd werd dat deze kascheques en een bijbehorende giropas uit haar woning waren ontvreemd. Op 8 september 1986 werd [P.] op verdenking van diefstal van voormelde kascheques aangehouden. Na aanvankelijke ontkenningen bekende zij op 11 september 1986 deze diefstal te hebben begaan, verder dat zij de ontvreemde cheques had verzilverd, en bovendien dat zij [slachtoffer] had gedood. Zij heeft deze bekentenis herhaald, toen zij op 12 september 1986 aan de officier van justitie te ’s Gravenhage werd voorgeleid, maar haar vervolgens bij haar voorgeleiding aan de rechter-commissaris op diezelfde dag weer ingetrokken. Nadien heeft zij voormelde feiten op 15 september 1986 nogmaals bekend. Op 16 september heeft zij deze bekentenis aangevuld, maar haar vervolgens op 17 september opnieuw ingetrokken. Daarna is zij blijven ontkennen de betreffende feiten te hebben begaan.

    [P.] is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te ‘s Gravenhage van 9 december 1986 (parketnr. 09.018.878.6) ter zake van, kort gezegd, doodslag en het gebruik van valse geschriften veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Dit vonnis is op 25 mei 1987 door het gerechtshof te ’s Gravenhage (rolnr. 2200220386 en parketnr. 0901887886), onder aanvulling der gronden, bevestigd. Uit de door rechtbank en hof gebruikte bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer, naar de opvatting van rechtbank en hof, moet zijn overleden op 22 augustus 1986 tussen 18.00 uur en 19.10 uur. Een tegen het arrest van het hof ingesteld cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen op 26 april 1988 (nr. 83.197).

    Nadat in 1993, 1994, 2001 en 2004 herzieningsverzoeken door de Hoge Raad eveneens waren verworpen, heeft [P.] op 16 juni 2006 nogmaals een verzoek ingediend tot herziening. Daarop was nog niet beslist toen haar zaak in onderzoek werd genomen door de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (hierna: CEAS), welke in een rapport van februari 2008 aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad in overweging gaf om eveneens een herzieningsaanvraag te doen. Dit rapport is vervolgens in de reeds lopende herzieningsprocedure betrokken. De Hoge Raad heeft daarop bij arrest van 23 juni 2009

    (nr. S 01631/06 H), gelet op de bevindingen van de door de CEAS gehoorde deskundige dr. F.R.W. van de Goot, vastgesteld dat ernstig rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer], op een aanmerkelijk eerder tijdstip intrad dan door het hof werd aangenomen. Die bevindingen hielden namelijk (zoals door de Hoge Raad samengevat) in ‘dat, uitgaande van de gemeten lichaams- en omgevingstemperatuur, volgens het zogenoemde Hennsge’s nomogram het tijdstip van overlijden niet rond of na 18.00 uur kan hebben gelegen en dat de dood vermoedelijk tussen 15.00 uur en 17.00 uur, of nog eerder is ingetreden.’ De Raad achtte daarom ten aanzien van de door het hof bewezen verklaarde doodslag een novum aanwezig. In de samenhang tussen de bewezen verklaarde feiten zag de Raad aanleiding om de herzieningsaanvrage ook ten aanzien van het bewezen verklaarde gebruik van valse geschriften gegrond te verklaren.

  11. Onderzoek van de zaak

    Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, de terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Gravenhage en de terechtzitting van dit hof in herziening op 22 januari 2010, 29 januari 2010, 31 mei 2010, 7, 8 en 9 juli 2010 en 20 en 23 september 2010.

    Het hof heeft kennis genomen van de vordering van het openbaar ministerie, in deze vertegenwoordigd door de advocaten-generaal mr. M.J.M. de Vries en mr. J.W.P. Snijders, en van hetgeen door [P.] en namens haar door mr. G.G.J. Knoops en mr. P.B.A. Acda, advocaten te Amsterdam, naar voren is gebracht.

    Het openbaar ministerie heeft - kort gezegd - gevorderd dat het hof in herziening het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 mei 1987 zal bevestigen.

    De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en subsidiair integrale vrijspraak van [P.] bepleit.

  12. Novum

    Het hof heeft zich, na de verwijzing door de Hoge Raad, allereerst beraden over de betekenis van het novum. Dr. van de Goot, ter terechtzitting in herziening gehoord, heeft verklaard dat zijn eerdergenoemde bevindingen waren gebaseerd op het nomogram van Henssge, maar dat dit nomogram geen vast tijdstip van overlijden kan opleveren, doch slechts een indicatie daarvan, een tijdsinschatting. Er zit (het hof heeft begrepen: in het gunstigste geval) een foutmarge in van ongeveer 2,6 of 2,8 uur en onder bepaalde omstandigheden zelfs drie uur, terwijl het ook dan slechts een 95 % waarschijnlijkheidsinterval aangeeft. Dr. van de Goot heeft dan ook verklaard dat bij het bepalen van een tijdstip van overlijden nooit alleen het nomogram van Henssge mag worden gehanteerd; er moet ook worden gekeken naar bijvoorbeeld de aanwezigheid van lijkvlekken en van lijkstijfheid. In het onderhavige geval bestaat bovendien, aldus stelde Van de Goot terecht vast, onzekerheid over bepaalde gegevens die bij hantering van het nomogram nodig zijn, zoals de temperatuur in de kamer waarin het lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen en haar gewicht. De foutmarge moet daarom, zo concludeert het hof, in het onderhavige geval nog ruimer worden genomen, en het nomogram dus met nog grotere voorzichtigheid worden gehanteerd.

    Het lichaam van het slachtoffer is kort na de ontdekking, namelijk omstreeks 19.30 uur, door een arts geschouwd. Deze trof geen lijkstijfheid aan – in elk geval niet in de nek. Dr. Van de Goot heeft zich op het standpunt gesteld dat (zo begrijpt het hof), indien onder de gegeven omstandigheden inderdaad geen lijkstijfheid aanwezig is, de aanname, dat het slachtoffer hooguit één tot drie uur dood is, in 75 % van de gevallen juist is.

    Alles bijeengenomen komt het hof tot de bevinding dat niet meer aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld op welk tijdstip het slachtoffer precies is overleden – laat staan op welk tijdstip zij is gewurgd. Het hof volgt de deskundige Van de Goot in zoverre dat dit tijdstip kan hebben gelegen vóór 15.00 uur, maar stelt tevens vast dat geenszins valt uit te sluiten dat het slachtoffer pas kort voor 19.30 uur, het tijdstip waarop haar lichaam werd ontdekt, is overleden. Het onderzoek van het hof wijst derhalve uit, dat de dood van het slachtoffer wel degelijk kan zijn ingetreden op het door de rechtbank en het hof te ’s Gravenhage aangenomen tijdstip, te weten tussen 18.00 uur en 19.10 uur. Het door de Hoge Raad aangenomen novum kan dan ook niet tot de conclusie leiden, dat de door de rechtbank en het hof te ’s Gravenhage gegeven bewezenverklaringen onjuist zijn.

  13. Verder onderzoek

    Nu het hof dit heeft vastgesteld, rijst de vraag of het onderzoek van het hof tot (de effecten van) het door de Hoge Raad aangenomen novum beperkt moet blijven, of dat het een ruimere strekking dient te hebben. Het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) is op dit punt niet volstrekt duidelijk – noch in art. 467 lid 1, noch in art. 474. Met de verdediging en het openbaar ministerie is het hof echter van oordeel dat niet met een beoordeling van het gestelde novum kan worden volstaan, omdat het hof, naar de termen van art. 474 lid 2 Sv, opnieuw recht moet doen in de zaak.

    Dit zou anders kunnen zijn indien wordt aangenomen dat de Hoge Raad aan de verwijzing van de zaak, bedoeld in art. 461 lid 1 Sv, beperkingen mag stellen; dit geval doet zich thans echter niet voor en kan daarom buiten beschouwing blijven. De Hoge Raad heeft de herzieningsaanvrage immers zonder enige beperking gegrond verklaard en de zaak vervolgens ongeclausuleerd naar het hof verwezen.

    De volgende vraag is, of het hof tot een volledig nieuwe beoordeling moet komen, of dat kan worden volstaan met een marginale beoordeling van het door het gerechtshof te ’s Gravenhage gewezen arrest. Met andere woorden: moet het hof zelfstandig vaststellen of het ten laste gelegde is bewezen, of kan het volstaan met een onderzoek naar de vraag, of redenen bestaan om aan de juistheid van het door het hof te ’s Gravenhage gewezen arrest te twijfelen? Dit is van belang, omdat een geheel nieuw onderzoek naar gebeurtenissen van 23 jaar geleden vanzelfsprekend ernstige...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT