Voorlopige voorziening+bodemzaak van Centrale Raad van Beroep, December 28, 2010

Datum uitspraak:2010/12/28
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft zijn feitelijke verblijfplaats niet aan het College bekend gemaakt. Daarom was het College niet in staat te beoordelen welk bestuursorgaan kennelijk bevoegd was de aanvraag van verzoeker in behandeling te nemen. Daarom kon naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van het College verlangd worden de aanvraag door te zenden.... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

10/5000 WWB

10/5331 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van de verzoeken om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2010, 10/2305, 10/1263, 10/2306, 10/1249, 10/2307 en 10/1258 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College)

Datum uitspraak: 28 december 2010

  1. PROCESVERLOOP

    Namens verzoeker heeft mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

    Namens verzoeker heeft mr. R.W. Koevoets eveneens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

    De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 november 2010, waar partijen, zoals vooraf bericht, niet zijn verschenen.

  2. OVERWEGINGEN

    1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

    1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

    1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

    1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

      2.1. Verzoeker is een meerderjarige vreemdeling van gestelde Chinese nationaliteit. Hij is niet eerder in Nederland toegelaten en heeft op 6 januari 2009 een verzoek ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking “verblijf als...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT