Cassatie van Hoge Raad, 11 maart 2011

Datum uitspraak:11 maart 2011
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad; kwalitatieve aansprakelijkheid assurantiekantoor voor fraude hypotheekadviseur (art. 6:170, 171, 172)? Schijn van volmachtverlening (art. 3:61 lid 2 BW)? Oordeel hof dat aansprakelijkheid op de voet van art. 6:172 BW ook kan ontstaan indien vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbreekt mits derde in gegeven omstandigheden deze bevoegdheid heeft aangenomen en... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11 maart 2011

Eerste Kamer

09/03425

DV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

1a. [Verweerder 1a],

wonende te [woonplaats],

lb. [Verweerder 1b],

wonende te [woonplaats],

1c. [Verweerster 1c],

wonende te [woonplaats],

als erfgenamen van de overleden [betrokkene 4],

  1. [Verweerster 2],

    wonende te [woonplaats],

    VERWEERDERS in cassatie,

    advocaat: mr. H.J.W. Alt.

    Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

  2. Het geding in feitelijke instanties

    Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

    1. de vonnissen in de zaak 210400/HA ZA 03-3290 van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 november 2005 en 1 maart 2006;

    2. het arrest in de zaak 105.004.961/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 mei 2009.

    Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

  3. Het geding in cassatie

    Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

    [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

    De zaak is voor partijen toegelicht door

    hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. P.A. Fruytier, advocaat bij de Hoge Raad.

    De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

  4. Beoordeling van het middel

    3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

    (i) [Betrokkene 1] was in 2002/2003 als hypotheekadviseur in dienst van [C] B.V. Deze vennootschap is gevestigd op hetzelfde adres als haar zusterbedrijven [A] B.V. en [B], een eenmansbedrijf. Aan de buitenkant van het kantoorgebouw was uitsluitend vermeld: '[B]'.

    (ii) [Betrokkene 1] heeft, toen nog in dienst van een andere werkgever, in 2000 contact gehad met het echtpaar [betrokkene 4 en verweerster 2] (hierna tezamen ook: [verweerder]) ter zake van het afsluiten van een hypotheek.

    Begin 2003 heeft hij uit eigen beweging, en zonder opdracht of medeweten van [eiser] of een van de hiervoor in (i) genoemde vennootschappen, opnieuw contact gezocht met [verweerder]. Hij heeft hem van het advies gediend in het kader van het sluiten van een hypothecaire geldlening op hun huis van € 175.000,--. Hij heeft daarbij mede gebruik gemaakt van briefpapier van [B]. Op de nota van afrekening van notaris [betrokkene 2] is een door [verweerder] te ontvangen bedrag vermeld van € 58.532,11.

    (iii) Op 25 februari 2003 heeft [betrokkene 1] op briefpapier van [B] en met gebruikmaking van haar fax, een instructie gestuurd aan de notaris waarin is vermeld dat in overleg met [verweerder] een bedrag van € 58.532,11 moest worden overgemaakt naar het bankrekeningnummer voor persoonlijke privé-beleggingen, "begunstigde: [betrokkene 1] te [plaats]", rekeningnummer [001].

    (iv) Nadat dit bedrag was overgemaakt naar het zojuist genoemde bankrekeningnummer, is gebleken dat deze bankrekening toebehoorde aan [betrokkene 1] in privé. Deze heeft het overgemaakte bedrag aan die rekening onttrokken.

    (v) [Betrokkene 1] is strafrechtelijk veroordeeld voor het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst.

    (vi) [Betrokkene 4] is in de loop van dit geding overleden. Zijn kinderen hebben het geding als zijn erfgenamen voortgezet, samen met hun moeder [verweerster 2]. Ook zij worden hierna tezamen aangeduid als [verweerder].

    3.2.1 [Verweerder] heeft gevorderd dat - naast [C] B.V. en [A] B.V. ook - [eiser] in persoon zal worden veroordeeld hem de schade te vergoeden die hij heeft geleden als gevolg van de door [betrokkene 1] gepleegde fraude. Hij stelt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat [betrokkene 1] handelde namens [B], onder welke handelsnaam [eiser] zijn eenmansbedrijf voert. De gelden die zouden vrijkomen uit door hem afgesloten hypothecaire geldleningen - voor de afwikkeling waarvan hij ([verweerder]) notaris [betrokkene 2] had ingeschakeld - zouden volgens [betrokkene 1] door het Assurantiekantoor voor hem in een door [eiser] beheerd Aegon Deposito Fund worden gestort. In de gegeven omstandigheden is [eiser] voor de door [betrokkene 1] tegenover hem gepleegde onrechtmatige daad aansprakelijk op de voet van artikel 6:170, 6:171 of 6:172 BW, aldus nog steeds [verweerder].

    Subsidiair heeft [verweerder] aangevoerd dat [eiser] door [betrokkene 1], ook al heeft deze - naar achteraf is gebleken - onbevoegd gehandeld, toch contractueel jegens hem is gebonden, gelet op art. 3:61 lid 2 BW. [Verweerder] heeft zich daartoe beroepen op de verkeersopvattingen omtrent de inhoud van de functie van [betrokkene 1], die meebrengen dat hij erop mocht vertrouwen dat [betrokkene 1] bevoegd was de onderhavige overeenkomst te sluiten. Hij heeft in dit verband mede aangevoerd dat [eiser] een ernstig verwijt valt te maken van hetgeen is gebeurd, omdat [betrokkene 1] in juli 2002 op staande voet is ontslagen door zijn toenmalige werkgever Hypotheek Plan Financial Planners B.V. daar hij door cliënten gelden op zijn privé-rekening had laten bijschrijven en weigerde deze gelden aan de cliënten te restitueren. [Eiser] heeft echter niet voordat hij, althans [C] B.V., [betrokkene 1] aannam, bij deze toenmalige werkgever naar [betrokkene 1] geïnformeerd, ondanks het vertrouwelijke karakter van functie die [betrokkene 1] zou gaan vervullen (conclusie van repliek nr. 3.13).

    3.2.2 [Eiser] heeft diverse verweren gevoerd.

    Met name heeft hij zich erop beroepen dat [betrokkene 1] niet in dienst was van [B] en onbevoegd gebruik heeft gemaakt van haar briefpapier. Het door [betrokkene 1] gebruikte visitekaartje was vervalst. Voorts heeft [eiser] een beroep gedaan op de omstandigheid dat op het door [betrokkene 1] gebruikte briefpapier het nummer stond waaronder [A] B.V. bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven. Verder heeft hij gesteld dat [verweerder] eerder zaken had gedaan met [betrokkene 1] waarbij over en weer rechtstreekse betalingen plaatsvonden, dat [eiser] niets met enige afspraak tussen [verweerder] en [betrokkene 1] van doen had, dat [verweerder] dus niet zozeer op [eiser], maar op [betrokkene 1] zelf vertrouwde, en dat de betaling van [verweerder], zoals neergelegd in de door hem ondertekende opdracht, op een privé-rekening van [betrokkene 1] zou worden gestort, en ook is gestort.

    3.3 De rechtbank heeft de vordering toegewezen.

    Het hof heeft het daartegen ingestelde beroep verworpen. Zakelijk weergegeven overwoog het met name als volgt.

    (a) [Betrokkene 1] heeft onrechtmatig jegens [verweerder] gehandeld (rov. 4).

    (b) Volgens de letter van art. 6:172 BW is [eiser] aansprakelijk indien [betrokkene 1] zijn onrechtmatige daad heeft gepleegd als vertegenwoordiger van [eiser] ter uitoefening van de hem als zodanig toekomende bevoegdheden. Tussen partijen is niet in geschil dat [betrokkene 1] noch over een geldige volmacht beschikte, noch anderszins als vertegenwoordiger van [eiser] kan worden aangemerkt. Mede gelet op het in art. 3:61 lid 2 BW tot uitdrukking gebrachte beginsel brengt een redelijke uitleg van art. 6:172 BW echter mee dat de daarin bedoelde kwalitatieve aansprakelijkheid ook kan ontstaan indien [betrokkene 1] niet bevoegd was [eiser] te vertegenwoordigen, doch [verweerder] op grond van een verklaring of gedraging van [eiser] heeft aangenomen, en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze heeft mogen aannemen, dat [betrokkene 1] daartoe wél bevoegd was. In de specifieke omstandigheden van het gegeven geval was dat laatste het geval. [Betrokkene 1] heeft immers op briefpapier van [B] - de handelsnaam van [eiser] - aan de notaris die was belast met het verlijden van een hypotheekakte, de instructie gestuurd dat een door hem gespecificeerd gedeelte van het geleende bedrag diende te worden gestort op een te zijnen name gestelde bankrekening. [Betrokkene 1] was toen in dienst bij [C] B.V., welke vennootschap een zusterbedrijf is van [B], en is gevestigd op hetzelfde adres. De drie bedrijven, [C] B.V., [A] B.V. en [B], traden gezamenlijk als eenheid naar buiten op, waarbij uitsluitend de naam [B] werd gebruikt, zonder dat daarbij duidelijk werd gemaakt dat hypothecaire dienstverlening geschiedde door [C] B.V.

    In overeenstemming daarmee is aan de buitenkant van het kantoorgebouw uitsluitend de naam [B] vermeld. Voordat [betrokkene 1] de hiervoor in 3.1 onder (iii) bedoelde instructie aan de notaris stuurde had hij al, eveneens op briefpapier van [B], met [verweerder] gecorrespondeerd over de onderhavige hypothecaire lening. Verder is op de website van [eiser] vermeld dat dit bedrijf werkzaam is op het gebied van verzekeringen, pensioenen, vastgoedontwikkeling en hypotheken, zonder dat de naam [C] B.V. daarop voorkomt. Dat de drie bedrijven naar buiten traden onder de naam [B] kan ook worden afgeleid uit het feit dat [betrokkene 1] destijds zijn sollicitatie heeft gericht aan [B], op grond waarvan aannemelijk is dat de advertentie voor de desbetreffende vacatures onder dezelfde naam is geplaatst. Bovendien heeft ook [eiser] zelf in zijn aangifte van de onderhavige fraude tegenover de politie geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende bedrijven, maar bij het beschrijven van de werkwijze van de werknemers van zijn bedrijf met betrekking tot het afsluiten van nieuwe hypotheken, gesproken van "de medewerker van het assurantiekantoor".

    [Eiser] heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] niet in dienst was van [B], dat het door [betrokkene 1] gebruikte briefpapier door deze is gestolen of althans gemanipuleerd, dat het visitekaartje niet aan hem ter beschikking is gesteld, en dat hij - [eiser] - dus geen enkel toedoen heeft aan de gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.

    Aan deze toedoeneis is echter niet uitsluitend voldaan indien sprake is van verklaringen of gedragingen van de (pseudo) vertegenwoordigde, maar ook indien sprake is van feiten of omstandigheden die in zijn risicosfeer...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT