Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Maastricht, January 26, 2011

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2011/01/26
Uitgevende instantie::Rechtbank Maastricht
SAMENVATTING

Bewezenverklaard wordt onder meer zevenmaal het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl de verdachte weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard. Het beroep op overmacht wordt verworpen. Voor de overtredingen van artigel 197 van het Wetboek van Strafrecht legt de rechtbank geen straf op, nu met een... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 03/700105-10, 03/700177-10 (ttz.gev), 03/850115-10 (ttz.gev), 03/500597-09 (ttz.gev), 03/505368-09 (ttz.gev)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 januari 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren op [geboortegegevens verdachte],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsman is mr. R. Herregodts, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 2 juni 2010 en 12 januari 2011. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de raadsman hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

03/700105-10

Feit 1: als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven;

Feit 2: heroïne en cocaïne in zijn bezit heeft gehad;

03/700177-10

als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven;

03/850115-10

als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven;

03/500597-09

Feit 1: een wapen voorhanden heeft gehad;

Feit 2: als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven;

Feit 3: als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven;

Feit 4: als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven;

Feit 5: als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven;

03/505368-09

een ambtenaar in functie heeft beledigd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 03/700105-10:

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 20 februari 2010 cocaïne in zijn bezit heeft gehad, maar wel dat verdachte die dag ongeveer 10 gram heroïne aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 1 in de gevoegde zaak met parketnummer 03/500597-09:

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 12 februari 2009 een wapen, te weten een keukenmes, voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van het feit in de gevoegde zaak met parketnummer 03/505368-09:

De officier van justitie acht, gelet op de aangifte en bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 september 2009 opsporingsambtenaar J. Roijen heeft beledigd.

Ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 03/700105-10, het feit in de gevoegde zaak met parketnummer 03/700177-10, het feit in de gevoegde zaak met parketnummer 03/850115-10 en de feiten 2 tot en met 5 in de gevoegde zaak met parketnummer 03/500597-09:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 20 februari 2010, 22 maart 2010, 6 januari 2010, 12 februari 2009, 20 april 2009, 12 mei 2009, 29 december 2009 en 16 september 2009 in de gemeente Maastricht als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven.

Ten aanzien van de ad informandum gevoegde feiten:

De officier van justitie is van mening dat de ad informandum gevoegde feiten, met uitzondering van feit 2, in de beoordeling kunnen worden betrokken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 03/700105-10:

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 03/700105-10:

De raadsman heeft betoogd dat in onderhavige zaak geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld, zodat de aanhouding en insluitingsfouillering van verdachte onrechtmatig zijn geschied. De inbeslaggenomen drugs zijn aldus verkregen met behulp van onjuiste toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden en dienen, als ‘fruits of the poisonous tree’ te worden uitgesloten van het bewijs. Bij gebrek aan andere bewijsmiddelen verzoekt de raadsman verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van het feit in de gevoegde zaak met parketnummer 03/8501115-10:

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 in de gevoegde zaak met parketnummer 03/500597-09:

De raadsman is van mening dat er onvoldoende grond was om verdachte te onderwerpen aan de controle van zijn identiteit. Hij verwijst in dit verband naar een volgens hem vergelijkbare zaak die ten grondslag heeft gelegen aan de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, d.d. 26 juni 2009, LJN BJ1570. Dit maakt dat zowel de daaropvolgende aanhouding als de insluitingfouillering onrechtmatig hebben plaatsgevonden. Verdachte moet dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feiten 2, 3, 4 en 5 in de gevoegde zaak met parketnummer 03/500597-09:

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het feit in de gevoegde zaak met parketnummer 03/505368-09:

De raadsman heeft betoogd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 16 september 2009 een ambtenaar in functie heeft beledigd.

Ten aanzien van de ad informandum gevoegde feiten:

Met de officier van justitie is de raadsman van mening dat alleen feit 2 niet in de beoordeling kan worden betrokken, nu de stukken niet aan het dossier zijn toegevoegd.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 03/700105-10, het feit in de gevoegde zaak met parketnummer 03/700177-10, het feit in de gevoegde zaak met parketnummer 03/850115-10 en de feiten 2 tot en met 5 in de gevoegde zaak met parketnummer 03/500597-09:

De rechtbank heeft op basis van het onderzoek van de regionale vreemdelingenrecherche geconstateerd dat verdachte, in het verleden gebruik heeft gemaakt van verschillende aliassen, waaronder de alias [naam verdachte], geboren te Casablanca (Marokko) op 6 september 1973 en de alias [S.F.], geboren op 1 januari 1971. Verdachte is onder beide namen tot ongewenst vreemdeling verklaard bij beschikkingen d.d. 19 januari 1993 en 19 februari 1997. Beide beschikkingen zijn in persoon aan verdachte uitgereikt. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte ook weet dat hij in Nederland ongewenst vreemdeling is.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 03/700105-10

Op 19 februari 2010 zagen twee verbalisanten dat een persoon, vermoedelijk van Noord Afrikaanse afkomst, op de Franciscus Romanusweg te Maastricht, contact zocht met drie personen. Ambtshalve is hen bekend dat in het gebied waarin zij surveilleerden veel overlast wordt veroorzaakt door drugsrunners van voornamelijk Noord Afrikaanse afkomst en potentiële drugskopers. Nadat verbalisanten hun dienstvoertuig hadden gekeerd zagen zij dat beide partijen zich meteen scheidden. Hierdoor rees bij verbalisanten het redelijk vermoeden dat de drie personen mogelijk kopers waren en werden gerund door de man van mogelijk Noord Afrikaanse afkomst. Alle personen werden vervolgens gecontroleerd. De man van mogelijk Noord Afrikaanse afkomst, verdachte, deelde de verbalisanten mede dat hij zich niet kon legitimeren middels een legitimatiebewijs, maar gaf op te zijn [naam verdachte]. Na controle bleek dat de man gesignaleerd stond en hij werd derhalve aangehouden. Tijdens zijn insluitingsfouillering in het cellencomplex werden diverse hoeveelheden verdovende middelen aangetroffen. Na onderzoek door het NFI bleek het te gaan om ongeveer 10 gram heroïne.

Gelet op het aantreffen van verdachte in Nederland, de beschikkingen tot ongewenstverklaring en de betekening van deze beschikkingen aan verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan. Voorts vormen voornoemende bevindingen voor de rechtbank het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank zal daarbij voorbij gaan aan de stelling van de verdediging dat geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld, en dat op grond daarvan de aanhouding en insluitingfouillering van verdachte onrechtmatig zouden zijn geschied. Op grond van artikel 8a van de Politiewet 1993 kan een ambtenaar van de politie inzage van een identiteitsbewijs vorderen, zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak. Deze taak omvat zowel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, de handhaving van de openbare orde als de hulpverleningstaak. Gelet op het gedrag van verdachte, op een plek die ambtshalve bekend staat als een gebied met veel drugsoverlast, mochten alle personen, waaronder dus ook verdachte, worden gevraagd naar hun identiteit. Nu verdachte zich niet kon legitimeren waren verbalisanten gerechtigd hem aan te houden.

Ten aanzien van het feit in de gevoegde zaak met parketnummer 03/700177-10

Op 22 maart 2010 werd verdachte door verbalisant [B.] aangetroffen op de Markt te Maastricht. Verdachte werd vervolgens aangehouden ter zake het zich als ongewenst verklaarde vreemdeling in Nederland bevinden. Gelet op het aantreffen van verdachte in Nederland, de beschikkingen tot ongewenstverklaring en de betekening van deze beschikkingen aan verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT