Hoger beroep van Rechtbank Utrecht, 15 februari 2011

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:15 februari 2011
Uitgevende instantie::Rechtbank Utrecht
SAMENVATTING

307 resp 308 Sr: tijdens werkzaamheden door twee werknemers aan een boei in de Neder-Rijn is de boei geexplodeerd, waardoor een persoon is overleden en een ander zwaar gewond is geraakt. De werkzaamheden werden verricht onder toezicht van een derde persoon.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/445754-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 februari 2011

in de strafzaak tegen

[bedrijf 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], algemeen directeur.

gevestigd te [woonplaats],[adres],

raadsvrouw mr. S.F. Degen, advocaat te Naaldwijk.

1 Onderzoek van de zaak

De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzittingen van 18 oktober 2010 en 1 februari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak onder parketnummer 16/446038 tegen [medeverdachte].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: (samen met een ander of anderen) roekeloos, in elk geval zeer althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig twee personen genaamd [slachtoffer] en [slachtoffer 2] werkzaamheden heeft laten verrichten aan een boei waarbij zij en/of haar mededaders voorafgaand en/of tijdens die werkzaamheden onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen waardoor het aan haar schuld te wijten is dat er tijdens de werkzaamheden een explosie is ontstaan tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

en

subsidiair: het als werkgever verrichten of nalaten van handelingen in strijd met artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, indien daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.

3 De voorvragen

Met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding heeft de raadsvrouw van verdachte partiële nietigheid bepleit ten aanzien van het primair tenlaste gelegde voor zover het betreft het verwijt ten aanzien van het zwaar lichamelijk letsel omdat de vermelding van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht op de tenlastelegging ontbreekt.

De rechtbank overweegt dat de bepaling in artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering beoogt enige onduidelijkheid met betrekking tot hetgeen een verdachte verweten wordt, te voorkomen. Gelet op de omschrijving “tengevolge waarvan [slachtoffer] zodanig letsel (…) heeft bekomen dat voornoemde [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden” het voor verdachte duidelijk moet zijn dat haar eveneens overtreding van art. 308 Sr wordt ten laste gelegd.

De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

De dagvaarding is derhalve geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan in die mate dat geen sprake is van roekeloos handelen maar wel van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend dan wel nalatig handelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Namens verdachte is primair aangevoerd dat niet zij maar de [bedrijf 2]/[bedrijf 1] had moeten worden gedagvaard omdat deze werkcombinatie het contract waarbinnen de werkzaamheden hebben plaatsgevonden, met de opdrachtgever Rijkswaterstaat (RWS) heeft afgesloten. In elk geval had ook [bedrijf 2] vervolgd moeten worden, want deze had een veel groter aandeel in de combinatie dan verdachte. Daarnaast is RWS nalatig geweest in het verstrekken van een haar bekende veilige werkwijze.

Ook is aangevoerd dat de handelingen van [medeverdachte] niet aan haar kunnen worden toegerekend, nu [medeverdachte] geheel zelfstandig het werk uitvoerde.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft aangevoerd dat met [bedrijf 1] niet de juiste rechtspersoon is gedagvaard .

De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

In 2006/2007 is door RWS een opdracht voor onder andere onderhoud aan het vaarwegmeubilair (lichtboeien) langs en op de Neder-Rijn/Lek verleend aan de speciaal voor deze opdracht in het leven geroepen aannemerscombinatie [bedrijf 3]. [bedrijf 2] ([bedrijf 2]) is gespecialiseerd in activiteiten op het gebied van grond-, water- en wegenbouw. De werkzaamheden van verdachte betreffen -zie ook de bedrijfsomschrijving in het uittreksel van de Kamer van Koophandel- het verzorgen van innovatieve technische ontwerpen, alsmede het onderhoud en de ontwikkeling op het gebied van datacommunicatie, vaarwegmarkeringen, zonne-energie en verlichting . [X] van Rijkswaterstaat heeft verklaard dat [bedrijf 1] de specifieke kennis in huis had voor wat betreft de techniek van het vaarwegmeubilair, in het bijzonder de boeien en eerder veiligheidstechnische werkzaamheden aan boeien had uitgevoerd. [getuige] heeft verklaard dat hij vanaf het begin van het betreffende bestek in het project heeft meegewerkt en dat bij de betreffende werkzaamheden altijd iemand van [bedrijf 1] aanwezig was omdat zij de kennis en deskundigheid hadden op dat gebied. [bedrijf 1] bepaalde -volgens hem- wat er moest gebeuren bij deze werkzaamheden aan de boeien waaronder de volgorde en wijze waarop. [medeverdachte] had uitsluitend een arbeidsrelatie met verdachte [bedrijf 1] Niet is gesteld, noch is overigens aannemelijk geworden dat hij door [bedrijf 1] werd verhuurd...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT