Hoger beroep van Raad van State, 28 april 2011

Datum uitspraak:28 april 2011
Uitgevende instantie::Raad van State
SAMENVATTING

De voorzieningenrechter is, zo verstaat de Afdeling, de minister gevolgd in zijn standpunt dat de verklaringen van de vreemdelingen over zijn verblijf buiten het grondgebied van de lidstaten geen betekenis hebben, omdat de vreemdeling zijn gestelde terugkeer naar Afghanistan niet met bewijzen, als bedoeld in bijlage II, lijst A, onder I.9 van de Uitvoeringsverordening, heeft gestaafd. De voorzieningenrechter heeft hiermee echter niet onderkend dat de enkele omstandigheid... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

201002493/1/V2.

Datum uitspraak: 28 april 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 25 februari 2010 in zaken nrs. 10/609 en 10/606 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie.

  1. Procesverloop

    Bij besluit van 6 januari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

    Bij uitspraak van 25 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 maart 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

    De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2010, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.W.M. Toemen, advocaat te Boxtel, en de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister), vertegenwoordigd door mr. E. Bervoets, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

  2. Overwegingen

    2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.

    2.2. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat de Noorse autoriteiten op 16 december 2003 vingerafdrukken van de vreemdeling hebben afgenomen in verband met een asielaanvraag in Noorwegen. De vreemdeling heeft in het kader van de onderhavige asielaanvraag verklaard dat zijn asielaanvragen in Noorwegen tot drie keer toe zijn afgewezen en dat hij in 2007, na de derde afwijzing, naar Afghanistan is gereisd, waar hij tot 5 augustus 2008, derhalve meer dan drie maanden, heeft verbleven. Vervolgens is hij, naar gesteld, via verschillende landen naar Nederland gereisd. De vreemdeling is, naar eigen zeggen, op 25 mei 2009 in Nederland aangekomen.

    Op 20 juli 2009 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend.

    2.3. Ingevolge artikel 4 van de Verordening (EG) 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 (hierna: de Uitvoeringsverordening) erkent de aangezochte lidstaat, wanneer een terugnameverzoek is gebaseerd op gegevens die door de centrale eenheid van Eurodac zijn verstrekt en door de verzoekende lidstaat overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van Verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van 'Eurodac' voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin zijn gecontroleerd, zijn verantwoordelijkheid, tenzij uit zijn onderzoek blijkt dat zijn verantwoordelijkheid krachtens de bepalingen van artikel 4, vijfde lid, tweede alinea, of krachtens artikel 16, tweede, derde of vierde lid, van de Verordening (EG) nr. 343/2003 heeft opgehouden te bestaan. Het feit dat de verantwoordelijkheid krachtens deze bepalingen heeft opgehouden te bestaan, mag alleen worden ingeroepen op grond van feitelijke bewijzen of uitvoerige en verifieerbare...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT