Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Utrecht, June 30, 2011

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2011/06/30
Uitgevende instantie::Rechtbank Utrecht
SAMENVATTING

Verdachte wordt veroordeeld wegens de handel in illegaal vuurwerk. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging van hetgeen onder feit 4 aan hem is ten laste gelegd.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/997019-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1953] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Rijnmond, De Schie te Rotterdam.

Raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 10 december 2010 tot en met 21 december 2010 3625 kilo professioneel vuurwerk, bestemd voor

particulier gebruik, voorhanden heeft gehad.

Feit 2: in de periode van 1 november 2010 tot en met 10 december 2010 professioneel vuurwerk aan personen zonder gespecialiseerde kennis ter beschikking heeft gesteld.

Feit 3: op 10 december 2010 in totaal 3652 kilo professioneel vuurwerk voor handen heeft gehad in een schuur en in een garagebox, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning was verleend.

Feit 4: in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2010 een grote hoeveelheid goederen en geldbedragen, afkomstig van enig misdrijf, voor handen heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van de levering van 360 stuks knalvuurwerk aan [getuige 1], zoals ten laste gelegd onder feit 2. Van dit onderdeel heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van het ‘voorhanden hebben’ van het vuurwerk in de garagebox aan de [adres] te Utrecht te kunnen komen. Verdachte huurde weliswaar deze garagebox, maar was niet de enige die daarvan een sleutel in zijn bezit had. Ook ten aanzien van de

ten laste gelegde levering van vuurwerk aan [getuige 3] en [getuige 2] ontbreekt

het wettig en overtuigend bewijs voor het bestanddeel ‘voorhanden hebben’.

Het geldbedrag dat in de woning van verdachte is aangetroffen valt niet onder de reikwijdte van de witwasbepaling van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 oktober 2010, LJN:BM4440, bepaald dat wanneer het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, dit niet kan bijdragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Er is een groot geldbedrag in de woning van verdachte aangetroffen, doch van verdachte is geen enkele gedraging uitgegaan die erop wijst dat hij dit ‘misdrijf’ heeft willen verhullen. Het geld zat, bij wijze van spreken, in een ouwe sok.

Ook voor de overige goederen welke op de tenlastelegging onder feit 4 zijn vermeld, bestaat geen bewijs dat deze goederen uit misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft voor zijn bezit hiervan een logische verklaring. Deze goederen heeft hij in de loop der jaren bij elkaar verzameld. Verdachte dient vrij te worden gesproken van het onder 4 aan hem ten laste gelegde. In ieder geval dient verdachte partieel vrijgesproken te worden ten aanzien van het geldbedrag dat in zijn woning is aangetroffen.

Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

4.3.1 De partiële vrijspraak betreffende feit 2

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte 360 stuks knalvuurwerk (TXP847) aan [getuige 1] heeft geleverd. Verbalisanten hebben dit vuurwerk dat in pakjes van vier was verpakt, aangetroffen in de schuur van [getuige 1]. [getuige 1] heeft verklaard dat hij de kleine klappers die in zijn schuur zijn aangetroffen zelf in België heeft gekocht. Hij had hiervoor € 1,50 per vier stuks betaald. Gelet hierop dient verdachte te worden vrijgesproken van dit onderdeel van het onder 2 aan hem ten laste gelegde.

4.3.2 De bewijsmiddelen betreffende de feiten 1 en 3

De verklaring van verdachte

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij wist dat hij het vuurwerk niet in zijn bezit mocht hebben. Noch hijzelf, noch de eigenaar van de schuur aan de [adres] te [woonplaats], beschikten over de noodzakelijke vergunning voor de opslag van het vuurwerk. Verdachte heeft verklaard dat hij deze schuur aan de [adres] te [woonplaats] huurde en dat al het vuurwerk dat daarin lag - in de schuur, in de auto’s en in de aanhangwagens - van hem was. Ook heeft verdachte verklaard dat hij de garagebox aan de [adres] te [woonplaats] huurde van de heer [eigenaar garagebox] en dat [eigenaar garagebox] niet de eigenaar is van het daar aangetroffen vuurwerk.

De bevindingen van verbalisanten

Op 10 december 2010 werd verdachte gevolgd door een observatieteam van de politie regio Utrecht. Zij zagen dat verdachte met zijn bestelbus stopte bij een loods naast een boerderij aan de [adres] te [woonplaats]. Verbalisant [verbalisant 3] besloot hierop in te grijpen. Vast werd gesteld dat verdachte op de locatie aan de [adres] te [woonplaats] vuurwerk had opgeslagen. Verdachte werd aangehouden terwijl hij bezig was dozen over te laden. In totaal werd er op de [adres] te [woonplaats] 3501 kilo vuurwerk in beslag genomen. Het bleek onder meer te gaan om 116 stuks Celebration Cracker 809 knalvuurwerk, 24 stuks Cobra 6 super knalvuurwerk en 36 stuks Brocade Crown mortierbommen. Nader onderzoek aan dit vuurwerk heeft uitgewezen dat het ging om professioneel vuurwerk overeenkomstig artikel 5.3.5, tweede lid, van het Vuurwerkbesluit juncto artikel 1.2.2, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit. Vast werd gesteld dat het in beslag genomen vuurwerk niet was voorzien van de vereiste aanduidingen, zoals neergelegd in artikel 3.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

Op 21 december 2010 werd door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een onderzoek ingesteld in een garagebox, gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Alvorens de garagebox te betreden werd contact opgenomen met de verhuurder van de garagebox, [eigenaar garagebox]. [eigenaar garagebox] verklaarde niet in het bezit te zijn van een sleutel van de garagebox. Hierop hebben verbalisanten de garagedeur open laten maken. In deze garagebox troffen verbalisanten dozen met daarin vuurwerk aan. Het vuurwerk werd door hen in beslag genomen en geïnventariseerd. Het bleek te gaan om 131,5 kilo vuurwerk, bestaande uit onder meer 66 stuks Super Blitz Knal lawinepijlen, 6 stuks Celebration Cracker 809 knalvuurwerk, 1 stuk Celebration Cracker Z34-2 knalvuurwerk en 234 stuks Cobra 6 Super knalvuurwerk. Nader onderzoek aan dit vuurwerk heeft uitgewezen dat het ging om professioneel vuurwerk overeenkomstig artikel 5.3.5, tweede lid, van het Vuurwerkbesluit juncto artikel 1.2.2, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit. Vast werd gesteld dat het in beslag genomen vuurwerk niet was voorzien van de vereiste aanduidingen, zoals neergelegd in artikel 3.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

4.3.3 De bewijsmiddelen betreffende feit 2

Ten aanzien van de levering aan [getuige 3]

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zich kan herinneren door [getuige 3] te zijn gebeld met het verzoek of hij hem aan een bepaald type mortieren kon helpen.

Op 10 december 2010 werd door een observatieteam waargenomen dat verdachte, omstreeks 12:26 uur, een bestelbus parkeerde in het pand aan de [adres] te [woonplaats], zijnde het bedrijf [bedrijf]. Diezelfde dag werd een onderzoek ingesteld bij [bedrijf] aan de [adres] te [woonplaats]. Ter plaatse was de eigenaar [getuige 3] aanwezig. In het pand werd in totaal 326 kilo vuurwerk aangetroffen, waaronder 12 Chinese rollen 809, 640 stuks knalvuurwerk TXP847, 410 stuks knalvuurwerk TXP825, 1 flowerbed, 168 vuurpijlen Aries TXR379, 50 lawinepijlen Signal Rocket, 2 knalstrengen R501 Red Cracker A, 36 mortierbommen R0001-4, 85 stuks knalvuurwerk TXP695 en 240 stuks knalvuurwerk TXP484. Nader onderzoek aan dit vuurwerk heeft uitgewezen dat het ging om professioneel vuurwerk overeenkomstig artikel 5.3.5, tweede lid, van het Vuurwerkbesluit juncto artikel 1.2.2, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit. Vast werd gesteld dat het in beslag genomen vuurwerk niet was voorzien van de vereiste aanduidingen, zoals neergelegd in artikel 3.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

Daarnaar gevraagd heeft [getuige 3] verklaard dat hij bij [verdachte] een bepaald type vuurwerk bestelde. Hij bestelde ook wel eens telefonisch. [verdachte] bracht het vuurwerk dan met zijn busje. Hij moest [verdachte] nog ongeveer € 2.400,00 voor het vuurwerk betalen.

Ten aanzien van de levering aan [getuige 2]

Op 13 december 2010 werd, naar aanleiding van een getapt telefoongesprek tussen verdachte en het nummer 06-25066510, een onderzoek ingesteld in de woning aan het [adres] te [woonplaats]. De heer...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT