Hoger beroep van Gerechtshof 's-Gravenhage, 7 juli 2011

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 7 juli 2011
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Het Gerechtshof in Den Haag veroordeelt in hoger beroep de 43-jarige Rwandees J.M. tot een levenslange gevangenisstraf wegens internationale oorlogsmisdrijven gepleegd tijdens de genocide in Rwanda in april 1994. Het hof overweegt dat het gaat om feiten die tot de ernstigste misdrijven gerekend moeten worden die sinds de Tweede Wereldoorlog door de Nederlandse strafrechter zijn berecht. Ook merkt ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

rolnummer 22-002613-09

parketnummers 09-750009-06 en 09-750007-07

datum uitspraak 7 juli 2011

tegenspraak

GERECHTSHOF TE S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van

23 maart 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Rwanda) op [geboortedag] 1968,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, De Schie te Rotterdam.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de (doorlopende) terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 2 en 16 december 2009, 10 maart 2010, 2 juni 2010, 20 oktober 2010, 13 januari 2011 en de doorlopende terechtzitting van 28, 29 en 31 maart, 4, 5, 7, 8, 11, 12, 15, 28 en 29 april, 9, 10, 13, 20 en 27 mei en 16 en 30 juni 2011.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen met parketnummers 09-750009-06 en 09-750007-07.

Op 11 mei 2007 is de vordering nadere omschrijving tenlastelegging met betrekking tot parketnummer 09-750009-06 door de rechtbank toegewezen.

Voorts heeft de rechtbank de voeging van de dagvaarding met parketnummer 09-750009-06 (hierna te noemen dagvaarding I) met de dagvaarding met parketnummer 09-750007-07 (hierna te noemen dagvaarding II) bevolen.

Ter terechtzitting van 5 september 2008 heeft de rechtbank de door de officier van justitie ingediende vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2011 is de vordering tot wijziging tenlastelegging van dagvaarding I door het hof toegewezen.

De gewijzigde tenlastelegging van dagvaarding I maakt als bijlage I onderdeel uit van dit arrest.

De gewijzigde tenlastelegging van dagvaarding II maakt als bijlage II onderdeel uit van dit arrest.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding I onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II onder 1 primair ( sub a, b en c), 1 subsidiair ( sub a, b en c), 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken.

De verdachte is terzake van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest.

De vorderingen tot schadevergoeding van de beledigde (thans benadeelde) partijen W.B. en J.M. zijn beide toegewezen tot het bedrag van EUR 680,67. Daarnaast is de verdachte veroordeeld in de kosten door de beledigde (thans benadeelde) partijen W.B. en J.M gemaakt, tot de uitspraak in eerste aanleg, als kosten voor rechtsbijstand voor de beledigde partijen tezamen begroot op EUR 9.378,93, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De beledigde (thans benadeelde) partij A.H. is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

Het vonnis bevat geen beslissing omtrent de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

4. Hoger beroep

Namens de verdachte is op 6 april 2009 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Op 20 april 2009 is de schriftuur houdende de grieven van de verdediging ingediend bij het gerechtshof.

De officier van justitie heeft op 6 april 2009 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. De schriftuur houdende de grieven van het openbaar ministerie is op 9 september 2009 ingediend.

Het hoger beroep van de officier van justitie is bij akte 'partiële intrekking rechtsmiddel' van 10 maart 2010, partieel ingetrokken.

5. Omvang van het hoger beroep

Blijkens de "Akte partiële intrekking rechtsmiddel" van de advocaat-generaal d.d. 10 maart 2010 is het hoger beroep van de officier van justitie niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 1 primair, sub b, 1 subsidiair, sub b, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

6. De beschuldiging, de vordering van het openbaar ministerie en het standpunt van de verdediging

De nog aan de orde zijnde beschuldigingen op dagvaarding I houden - verkort en zakelijk - weergegeven het volgende in:

Feit 1 (Ambulance):

De verdachte heeft samen met anderen op of omstreeks 13 april 1994 in Mugonero in Rwanda een ambulance tot stoppen gedwongen. Deze ambulance werd bestuurd door J.N. en daarin zaten twee Tutsi-vrouwen (D. en B.) met hun kinderen en een meisje met de naam B.U. Nadat de ambulance had moeten stoppen, heeft de verdachte samen met anderen deze gedwongen naar het nabijgelegen Mugonero te rijden. Tijdens deze rit is de ambulance omsingeld door belagers waarbij wapens zijn getoond en is er op de ambulance geslagen. Tevens schreeuwden de mensen die de ambulance omsingelden woorden als 'Inkotanyi'. In Mugonero zijn de inzittenden gedwongen om uit te stappen. Daarbij zijn dreigementen geuit onder meer door te zeggen "Voordat de kakkerlakken gedood worden, moet eerst de chauffeur gedood worden". Vervolgens zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen geslagen/ neergehakt met machetes, knuppels en/of andere wapens. Ten gevolge hiervan hebben alle inzittenden langdurig voor hun leven moeten vrezen, zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen overleden (waarna een aantal van deze kinderen in het Kivumeer is gegooid) en hebben J.N. en B.U. (zwaar) lichamelijk letstel ondervonden.

Feit 2 (Complex van de Zevendedagsadventisten):

De verdachte heeft samen met anderen op 16 april 1994 in Mugonero in de provincie (prefectuur) Kibuye in Rwanda op het complex van de Zevendedagsadventisten (hierna: Adventistencomplex) de aanwezige ongewapende Tutsi-burgers, waaronder vrouwen en kinderen, aangevallen. Daarbij hebben zij op deze burgers geschoten en hen met machetes, knuppels en andere wapens neergehakt en geslagen en handgranaten en traangas gegooid in gebouwen waarin zich burgers hadden verstopt, waardoor die burgers voor hun leven en dat van anderen moesten vrezen en ten gevolge waarvan een of meerdere vorenbedoelde personen zijn overleden althans (zwaar) lichamelijk letsel hebben ondervonden.

Feit 3 (Familie B.):

De verdachte heeft samen met anderen op 27 april 1994 in Mugonero in de provincie (prefectuur) Kibuye in Rwanda aan J.M., haar partner W.B en hun zoontje F. bij een wegversperring de doorgang geweigerd. Aan hen zijn openlijk wapens getoond en is voor hen hoorbaar geweest dat er gesproken werd in bewoordingen zoals 'kakkerlak(ken)', 'Kijk maar goed naar die Tutsi-vrouw, dat zijn het soort mensen die de president hebben vermoord', 'Wil je soms als een Tutsi worden behandeld', 'Je mag kiezen of je in Kibingo, in Mugonero of in Gishyita gedood wordt', 'Kijk eens hoe slecht die Tutsi's zijn, ze lachen zelfs als we ze gaan doden' en 'Hutu-power'. Ten gevolge hiervan werd J.M. in een situatie gebracht waarin zij langdurig voor haar leven en het leven van haar zoon heeft moeten vrezen, terwijl zij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd. W.B werd hierbij in een situatie gebracht waarbij hij langdurig moest vrezen voor het leven van zijn partner, J.M., en het leven van zijn zoontje, F. , terwijl hij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd.

De nog aan de orde zijnde beschuldigingen op dagvaarding II houden - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende in:

Feit 1, sub a (verkrachting en moord van C. M.):

De verdachte heeft samen met anderen op 13 mei 1994 op of nabij de Muyira heuvel, in het gebied Bisesero, een vrouw genaamd C.M. vastgepakt, naar de grond geduwd en tegen haar gezegd: 'Als je niet vertelt waar ze zijn, zullen we jou vermoorden. Als je het wel vertelt, zullen we jou met rust laten.' Vervolgens heeft de verdachte tegen zijn mededaders gezegd dat zij haar mochten verkrachten en dat hij hun veiligheid zou garanderen. Zijn mededaders hebben haar toen meermalen verkracht. Vervolgens heeft de verdachte een bajonet in haar vagina gestoken en met een vuurwapen kogels in haar rug en hoofd geschoten, tengevolge waarvan zij is overleden.

Feit 1, sub c (verkrachting van K.):

De verdachte heeft samen met anderen, op of omstreeks 14 april 1994 in het ziekenhuis van het Adventistencomplex van Mugonero, een vrouw genaamd K. geslagen, vastgepakt en verkracht.

Al deze feiten zijn - kort gezegd - primair tenlastegelegd als oorlogsmisdrijven (artikel 8 Wet Oorlogsstrafrecht1, hierna: WOS) en subsidiair als foltering (artikel 1 en 2 Uitvoeringswet Folteringverdrag2, hierna: UFV).

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het in dagvaarding II onder feit 1, sub c tenlastegelegde en wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de overige nog aan de orde zijnde tenlastelegde feiten op beide dagvaardingen zoals primair tenlastegelegd, heeft begaan.

Het openbaar ministerie heeft voorts gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot levenslange gevangenisstraf.

De raadsman van de verdachte heeft op gronden van zijn in hoger beroep overgelegde pleitnota vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit.

7. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

8. Inleidende opmerkingen

Zoals reeds door de rechtbank is geconstateerd is een zaak als de onderhavige geen alledaagse in de praktijk van de Nederlandse strafrechter. Het hof ziet in de bijzondere aard van deze zaak aanleiding om, alvorens de tenlastegelegde feiten afzonderlijk te bespreken, - evenals de rechtbank - eerst in te gaan op enkele algemene onderwerpen.

8.1 Rwanda

Inleiding

Tussen 6 april en midden juli 1994 zijn in Rwanda honderdduizenden Rwandezen om het leven gebracht. De schattingen door deskundigen van het aantal slachtoffers lopen uiteen; de meeste komen op zeshonderdduizend tot - het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT