Wraking van Centrale Raad van Beroep, 15 juli 2011

Datum uitspraak:15 juli 2011
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing verzoek om wraking. Er is geen grond voor het oordeel dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid van mr. Van den Hurk.

 
GRATIS UITTREKSEL

09/4551 WW-W

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

B E S L I S S I N G

op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht, gedaan door:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (verzoeker).

Datum uitspraak: 15 juli 2011

  1. PROCESVERLOOP

    Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 1 juli 2009, 08/1321.

    Voor aanvang van het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad op 6 juli 2011 heeft verzoeker bij brief van 5 juli 2011 verzocht om wraking van mr. G.A.J. van den Hurk.

    Verzoeker en mr. Van den Hurk zijn ingevolge artikel 8:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad van 13 juli 2011, van welke gelegenheid verzoeker en

    mr. Van den Hurk geen gebruik hebben gemaakt.

  2. OVERWEGINGEN

    1.1. In artikel 8:15 van de Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

    1.2. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb, (Parlementaire Geschiedenis Awb II, p. 410) is de ratio van het instituut wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid.

    1.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1995, LJN ZD0257).

    2.1. Aan het wrakingsverzoek is ten grondslag gelegd dat het Uwv verzoeker jarenlang heeft kunnen oplichten en bedriegen en dat mr. Van den Hurk daarbij vele malen een onfrisse rol heeft gespeeld. Enige feitelijke onderbouwing voor deze stelling is door verzoeker niet geleverd. De overige stellingen van verzoeker hebben betrekking op de rechterlijke macht in het algemeen en zijn zo algemeen dat daaruit niet kan worden...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT