Hoger beroep van Rechtbank Alkmaar, 31 maart 2011

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:31 maart 2011
Uitgevende instantie::Rechtbank Alkmaar
SAMENVATTING

Artikel 67 jo. 69 Faillissementswet: Hoger beroep tegen 14 beschikkingen van de rechter-commissaris op grond van artikel 69 van de Faillissementswet.

 
GRATIS UITTREKSEL

beschikking

RECHTBANK TE ALKMAAR

ML/JG/MS

Sector civiel recht, meervoudige kamer,

rekestnummer: 73557 / FT RK 04-161

Beschikking van 31 maart 2011

op het hoger beroep van

1) [naam 1],

2) [naam 2],

3) [naam 3],

allen wonende te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec,

appellanten,

advocaat mr. J.M.R. Vlaar te Eindhoven,

tegen de beschikking van de rechter-commissaris op grond van artikel 69 van de Faillissementswet (Fw), gegeven op 14 september 2010 in het faillissement van

de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1],

gevestigd te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec,

en haar vennoten [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3], beide gevestigd te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, waarin zijn benoemd mr. A.J.J. Sweens als curator en mr. A. Warmerdam als rechter-commissaris.

Appellanten zullen hierna ook gezamenlijk worden aangeduid als Visser c.s.

  1. De procedure

    1.1.De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

    - het aan de rechter-commissaris gerichte verzoekschrift van 27 april 2010, inhoudende 14 verzoeken ex artikel 69 Fw, met bijlagen;

    - de brief van 6 mei 2010, inhoudende een beroep tegen een fictieve weigering;

    - de schriftelijke reactie van de curator van 19 mei 2010;

    - de beschikking van de rechter-commissaris van 14 september 2010;

    - het op 17 september ingediende beroepschrift ex artikel 67/69 Fw op nader aan te voeren gronden;

    - de bij brief van 3 februari 2011 ingediende nadere beroepsgronden, met bijlagen;

    - de brief van de curator van 15 februari 2011, met bijlage;

    - de brief van mr. Stam van 17 februari 2011;

    - de ter zitting overgelegde brief van de curator, gedateerd 14 februari 2011, met bijlagen, waaronder een verweerschrift ex artikel 69 Fw.

    1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 18 februari 2011, waar appellanten en de curator ieder hun standpunten hebben doen toelichten. Vervolgens is uitspraak bepaald.

  2. Het hoger beroep en de beoordeling daarvan

    De ontvankelijkheid van appellanten

    2.1.De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de drie appellanten ontvankelijk zijn in het hoger beroep. De curator heeft erop gewezen dat de enige beroepsgronden zijn vervat in het document dat als bijlage is meegezonden met de brief van mr. Vlaar van 3 februari 2011. De inhoud van dit document is naar de mening van de curator onvoldoende concreet toegespitst op de juridische toets die in het kader van artikel 69 Fw behoort te worden aangelegd. Bovendien is het document niet ondertekend, waardoor de curator meent dat uit hoofde van artikel 83 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op dit stuk geen acht kan worden geslagen. Volgens de curator behoort dit alles te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van appellanten.

    Daarnaast heeft de curator erop gewezen dat de procedure van artikel 69 Fw enkel openstaat voor de gefailleerde, diens schuldeisers en commissie uit hun midden benoemd. De curator heeft naar voren gebracht dat noch [naam 2], noch [naam 3] voorkomt op de lijst van crediteuren in het faillissement. [naam 1] komt daarop slechts voor met een vordering die voorlopig wordt betwist. Ook op deze grond acht de curator appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

    2.2.Met appellanten is de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van een handtekening onder het document met de beroepsgronden niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheid, nu dit document als bijlage is gevoegd bij de brief van 3 februari 2011 welke door mr. Vlaar is ondertekend. De rechtbank volgt evenwel de curator is zijn stelling dat [naam 2] en [naam 3] niet-ontvankelijk zijn in het hoger beroep nu zij geen vorderingen hebben ingediend in het faillissement. Niet is gebleken dat zij schuldeiser zijn in de zin van de Faillissementswet. Anders ligt dit ten aanzien van [naam 1]. Weliswaar wordt de door hem ingediende vordering voorlopig door de curator betwist, maar de toegang tot de procedure van artikel 67 en 69 Fw is niet beperkt tot erkende (of voorwaardelijk toegelaten) schuldeisers. [naam 1] is derhalve ontvankelijk is het hoger beroep.

    De inhoudelijke beoordeling van het beroep

    2.3.Namens [naam 1] (hierna te noemen: appellant) zijn in het verzoekschrift van 27 april 2010 14 verzoeken gedaan ex artikel 69 Fw. Na de curator te hebben gehoord, heeft de rechter-commissaris hierop beschikt op 14 september 2010. De strekking van het beroep van appellant tegen de beschikking van de rechter-commissaris op zijn 14 verzoeken is - zakelijk weergegeven en gerangschikt naar de indeling van het inleidend verzoekschrift - als volgt:

  3. Appellant klaagt erover dat de rechter-commissaris naar aanleiding van zijn verzoek de curator niet heeft opgedragen om bij de Rabobank op te vragen het zogenoemde "achtergehouden bewijs", door appellant opgesomd bij 'Akte op te vragen bewijs' van 16 december 2009.

  4. Appellant klaagt erover dat de rechter-commissaris geen gevolg heeft gegeven aan zijn verzoek de curator te dwingen om hem en zijn mede-appellanten onschuldig te verklaren aan de verduistering van een groot aantal tulpenbollen uit de boedel.

  5. Appellant klaagt erover dat de rechter-commissaris naar aanleiding van zijn verzoek geen getuigenverhoor heeft gelast voor onderzoek naar de deugdelijkheid en het waarheidsgehalte van het rapport [rapportnaam] dat betrekking heeft op de uit de boedel verdwenen tulpenbollen.

  6. Appellant klaagt erover dat de rechter-commissaris naar aanleiding van zijn verzoek de curator niet heeft verplicht tot het doen van aangifte tegen de Rabobank wegens faillissementsfraude met betrekking tot de verdwenen tulpenbollen.

  7. Appellant klaagt erover dat de rechter-commissaris naar aanleiding van zijn verzoek de curator niet heeft verplicht:

    - de Rabobank aansprakelijk te stellen voor de onder haar leiding gepleegde bloembollenverduistering; en

    - de vordering van de Rabobank in het faillissement ad [euro] 1.834.439,-- ongegrond te verklaren vanwege die verduistering.

  8. Appellant klaagt erover dat de rechter-commissaris naar aanleiding van zijn verzoek de curator niet ter verantwoording heeft geroepen voor het onjuist en/of onvolledig informeren van de rechter-commissaris over de juridische procedures inzake de bloembollenverduistering.

  9. Appellant klaagt erover dat de rechter-commissaris naar aanleiding van zijn verzoek...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT