Voorlopige voorziening+bodemzaak van Centrale Raad van Beroep, August 23, 2011

Datum uitspraak:2011/08/23
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Opschorting en intrekking bijstandsuitkering. Bewijslast rust op het College. Het College is er niet in geslaagd aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk te maken dat verzoeker de ontbrekende bladzijden van de bankafschriften niet reeds voor de in het opschortingsbesluit genoemde termijn heeft overgelegd. Het College was niet bevoegd om wegens het niet verstrekken van deze gegevens het... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/3813 WWB + 11/3814 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Hertogenbosch van 17 juni 2011, 11/1528 en 11/1529 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

  1. PROCESVERLOOP

    Namens verzoeker heeft mr. drs. P. van Wegen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Van Wegen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.A.J. Wilbers, werkzaam bij de gemeente Geldrop-Mierlo.

  2. OVERWEGINGEN

    1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

    1.2. verzoeker heeft gesteld en niet weersproken is dat sprake is van onverwijlde spoed in bovengenoemde zin.

    1.3. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

    1.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

    1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

      2.1. Verzoeker ontvangt sinds 3 oktober 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan verzoeker toegekende uitkering is verzoeker bij brief van 3 november 2010 verzocht inlichtingen te verstrekken, waaronder bankafschriften van alle op zijn naam staande rekeningen. Op 10 november 2010 heeft verzoeker het inlichtingenformulier en bankafschriften aan het College overgelegd, waarbij hij de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT