Hoger beroep van Raad van State, September 21, 2011

Datum uitspraak:2011/09/21
Uitgevende instantie::Raad van State
SAMENVATTING

Bij besluit van 9 juli 2008 heeft het dagelijks bestuur [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij de in dat besluit omschreven dekschuit (hierna: dekschuit M1) dient te verwijderen en verwijderd dient te houden uit het water van het beheersgebied van het dagelijks bestuur. Indien zij binnen zes weken geen gehoor heeft gegeven aan deze last, verbeurt zij een dwangsom van ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

201101131/1/H3.

Datum uitspraak: 21 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2010 in de zaken nrs. 09/2966 en 10/45 in het geding tussen:

1. [appellante],

2. [wederpartij]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2008 heeft het dagelijks bestuur [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij de in dat besluit omschreven dekschuit (hierna: dekschuit M1) dient te verwijderen en verwijderd dient te houden uit het water van het beheersgebied van het dagelijks bestuur. Indien zij binnen zes weken geen gehoor heeft gegeven aan deze last, verbeurt zij een dwangsom van € 10.000,00.

Bij besluit van 28 mei 2009 heeft het dagelijks bestuur geweigerd een ligplaatsvergunning te verlenen voor dekschuit M1.

Bij besluiten van 10 juni 2009 en 25 november 2009 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, de door [appellante] tegen de besluiten van 9 juli 2008 en 28 mei 2009 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door [appellante] tegen de besluiten van 10 juni 2009 en 25 november 2009 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 februari 2011.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [wederpartij], directeur-grootaandeelhouder van [appellante], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2009 is de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) in werking getreden. Ingevolge artikel IV van deze wet blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Dit betekent dat het nieuwe recht niet van toepassing is op het huidige geding.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, bezit het dagelijks bestuur van een deelgemeente waaraan de bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders zijn overgedragen, de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam al zijn bevoegdheden over aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, behoort de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang tot de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden.

Ingevolge artikel 2.2.1 van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: de VHB) wordt in dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen verstaan onder:

[...];

b. bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zee- of binnenschip, hoofdzakelijk gebruikt als of bestemd voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;

[...];

e. object: een voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enig andere in dit hoofdstuk genoemde categorie;

[...].

Ingevolge...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT