Eerste aanleg - enkelvoudig van Gerechtshof Amsterdam, 15 december 2011

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:15 december 2011
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
SAMENVATTING

KB-Luxrekening wordt ontkend. Saldo op 31 januari 1994 is ƒ 70.000. De omvang van het vermogen zoals dat op 31 januari 1994 bekend was, sluit niet uit dat dit vermogen in de jaren voorafgaand aan 1993 en de jaren volgend op 1994 zoveel lager was dat de daaruit genoten rente-inkomsten lager waren dan (het nog niet benutte deel van) deze vrijstelling. Hier doet niet aan af dat het gaat om... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van [X] te [Z], belanghebbende,

tegen

in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, de inspecteur.

  1. Loop van het geding

    1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 24 december 2004, ingediend door mr. G.J.M.E. de Bont (Hertoghs advocaten-belastingkundigen te Breda) als gemachtigde van belanghebbende. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 8 februari 2005.

    1.2. Het beroep is gericht tegen de uitspraken van de inspecteur betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) voor de jaren 1990 tot en met 2000 en in de vermogensbelasting (hierna: VB) voor de jaren 1991 tot en met 2000 (hierna: de navorderingsaanslagen), alsmede tegen de uitspraken betreffende de kwijtscheldingsbesluiten ter zake van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen respectievelijk de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen genomen boetebeschikkingen (hierna gezamenlijk: de boetebeschikkingen). Voorts wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraken van de inspecteur betreffende de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen genomen beschikkingen inzake in rekening gebrachte heffingsrente (hierna: de beschikkingen heffingsrente). Belanghebbende heeft tevens beroep ingesteld tegen de aanslag IB/PV voor het jaar 2000, alsmede tegen de daarbij genomen beschikking een boete van 100% op te leggen en beschikking inzake in rekening gebrachte heffingsrente.

    1.3. De navorderingsaanslagen zijn hierna onder 3.3. nader omschreven. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente is bij de thans bestreden uitspraken, vervat in één geschrift, gedagtekend 23 december 2004, afgewezen.

    1.4. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken, de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente.

    1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep.

    1.6. De gemachtigde heeft een conclusie van repliek ingezonden. De inspecteur heeft daarop gereageerd met een conclusie van dupliek, welke hij heeft aangevuld bij brief van 12 juli 2005. Van deze stukken zijn afschriften naar de wederpartij gezonden.

    1.7. Naast de door partijen ingezonden pleitnota’s ten behoeve van het onderzoek ter zitting op 2 november 2005, welke zijn vermeld in het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal, is door de gemachtigde op 18 oktober 2005 een “Inventarisatiestaat producties” ingebracht, met de daarin genoemde producties als bijlagen. Een afschrift van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting op 2 november 2005 is uitgereikt aan partijen ter zitting van 10 september 2010.

    1.8.1. De Vierde Meervoudige Belastingkamer heeft het beroep voor wat betreft de “8:29/8:42-procedure” verwezen naar de Derde Meervoudige Belastingkamer. Hiertoe is het volledige procesdossier aan de Derde Meervoudige Belastingkamer ter beschikking gesteld.

    1.8.2. Voor het verloop van de onder 1.8.1 genoemde procedure verwijst het Hof naar hetgeen daarover is opgenomen in de door de Derde Meervoudige Belastingkamer gedane tussenuitspraak van 19 april 2006. In genoemde tussenuitspraak is bepaald dat de inspecteur een kopie toezendt van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven zoals deze stukken ten behoeve van de inspecteur bij deze uitspraak zijn gevoegd en waarin door het Hof is aangegeven in hoeverre een beperking van de kennisneming van die stukken door belanghebbende gerechtvaardigd is. De Hoge Raad heeft het tegen deze tussenuitspraak ingestelde beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard bij zijn uitspraak van 14 september 2007, nr. 43.296.

    1.8.3. Na verzending van de tussenuitspraak is het procesdossier ter beschikking gesteld aan de Eerste Meervoudige Belastingkamer. Die kamer heeft geen kennis genomen van de aan de Derde Meervoudige Belastingkamer ter beschikking gestelde integrale versies van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven, welke versies in verzegelde enveloppen op het gerechtshof worden bewaard. De Eerste Meervoudige Belastingkamer heeft de behandeling van het beroep overgenomen.

    1.9. Bij brief van 2 februari 2007 heeft de gemachtigde nadere stukken ingezonden. Een afschrift hiervan is op 5 februari 2007 naar de wederpartij gezonden.

    1.10. Bij brief van 7 februari 2007 heeft de gemachtigde aangeboden bewijs te leveren door middel van het horen van getuigen. Een afschrift hiervan is op 8 februari 2007 naar de wederpartij gezonden.

    1.11. Bij brief van 15 februari 2007 heeft de gemachtigde een afschrift ingezonden van de brief die hij op die datum naar de inspecteur heeft gestuurd. De inspecteur heeft ter zitting van 16 februari 2007 de ontvangst van dit stuk bevestigd.

    1.12. Van het verhandelde ter zitting van 16 februari 2007 is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is gezonden op 22 februari 2007.

    1.13. Bij brief van 7 juni 2007 heeft de gemachtigde een verzoek ingediend de staatssecretaris van Financiën te gelasten uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 mei 2007, procedurenummer 06/3071 WOB. Dit verzoek is afgewezen bij brief van 12 juni 2007.

    1.14.1. Op 20 juni 2007 zijn [M, N en O] gehoord als getuigen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is aan partijen gezonden bij brief van 22 juni 2007.

    1.14.2. Van het verhandelde ter zitting van 20 juni 2007 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift ter zitting van 10 september 2010 aan partijen is uitgereikt.

    1.15.1. Op 24 augustus 2007 is [P] gehoord als getuige. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is aan partijen uitgereikt ter zitting van 24 augustus 2007.

    1.15.2. Van het verhandelde op deze zitting is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 7 april 2008 naar partijen is gezonden.

    1.16. Bij brief van 7 maart 2008 heeft de griffier de gemachtigde meegedeeld dat het door hem met dagtekening 5 maart 2008 ingediende stuk geen aanleiding geeft tot heropening van het onderzoek. Het stuk is om die reden aan de gemachtigde retourgezonden.

    1.17. Bij brief van 25 augustus 2008 heeft de griffier de gemachtigde in de gelegenheid gesteld te reageren op het in die brief weergegeven voorlopige oordeel van het Hof.

    De gemachtigde heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 24 oktober 2008, waarna de inspecteur bij brief van 23 december 2008 daarop heeft gereageerd. Een afschrift van deze laatste brief is bij brief van 5 januari 2009 naar de gemachtigde gezonden.

    1.18. Van het verhandelde ter zitting van 10 september 2010 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

    1.19. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting op 10 september 2010 heeft de inspecteur een nader stuk ingezonden bij brief van 14 september 2010. De gemachtigde heeft hierop gereageerd bij brief van 28 oktober 2010. Een afschrift hiervan is naar de wederpartij gezonden. Partijen hebben het Hof beiden schriftelijk toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten.

    1.20. In verband met het door de Hoge Raad op 15 april 2011 gewezen arrest onder rolnummer 09/03075 (LJN BN6324) heeft de griffier de inspecteur bij brief van 22 april 2011 in de gelegenheid gesteld nader te reageren op de in het arrest gegeven overwegingen over de boete en de daarbij gegeven verwijsopdracht. Een afschrift van deze brief is op 22 april 2011 naar de wederpartij gezonden. Bij brief van 27 juni 2011 heeft de inspecteur gereageerd. Een afschrift van deze brief is aan de wederpartij gezonden, die daarop heeft gereageerd bij brief van 9 augustus 2011.

    1.21. Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting, waarbij de inspecteur heeft bericht dat deze toestemming niet ziet op het door de gemachtigde ingediende verzoek tot schadevergoeding. In verband hiermee heeft de griffier partijen bij brief van 27 september 2011 bericht dat in de hoofdzaak uitspraak wordt gedaan en dat inzake het verzoek tot schadevergoeding een nader onderzoek zal plaatsvinden.

    1.22. De Eerste Meervoudige Belastingkamer heeft het beroep vervolgens ter verdere behandeling verwezen naar de Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer.

  2. Geschil

    2.1. De navorderingsaanslagen en beschikkingen waarop het geschil betrekking heeft zijn opgelegd en genomen in het kader van een door de Belastingdienst uitgevoerd onderzoek naar houders van bankrekeningen, vermeld op door de Belgische autoriteiten bij brief van 27 oktober 2000 aan de Nederlandse belastingdienst verstrekte fotokopieën, het zogenaamde Rekeningenproject. In de uitspraak van dit Hof van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349, gepubliceerd onder LJN BJ1298 op www.rechtspraak.nl, is dit project nader omschreven en heeft het Hof een oordeel gegeven omtrent een aantal algemene, dus niet specifiek op belanghebbende betrekking hebbende, geschilpunten naar aanleiding van de in het kader van dit project opgelegde (navorderings)aanslagen.

    Dit oordeel komt erop neer dat de inspecteur niet gehouden is meer stukken in te brengen dan hij heeft gedaan, de op deze fotokopieën vermelde rekeningen betrekking hebben op bij de KB-Luxbank te Luxemburg aangehouden bankrekeningen, de fotokopieën als bewijsmiddel mogen worden gebruikt, het onderzoek van de Belastingdienst naar de identiteit van de op de fotokopieën vermelde personen betrouwbaar is geweest en dat, onder meer op basis van gegevens van belastingplichtigen die in het kader van het Rekeningenproject openheid van zaken hebben gegeven met betrekking tot de aangehouden rekeningen bij de KB-Luxbank, het vermoeden gerechtvaardigd is dat de als rekeninghouder geïdentificeerde belastingplichtige gedurende de door de inspecteur gestelde periode rekeningen bij de KB-Luxbank heeft aangehouden en dat het aan de desbetreffende...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT