Voorlopige voorziening+bodemzaak van Centrale Raad van Beroep, December 13, 2011

Datum uitspraak:2011/12/13
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Kortsluiting. Afwijzing aanvraag bijstand. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende de hier te beoordelen periode woonachtig was op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft er om hem moverende redenen evenwel voor gekozen niet de vereiste helderheid te verschaffen en de ontstane onduidelijkheid te laten voortbestaan.

 
GRATIS UITTREKSEL

11/2014 WWB

11/6001 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 februari 2011, 10/3679 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: het College)

Datum uitspraak: 13 december 2011

  1. PROCESVERLOOP

    Namens verzoeker heeft mr. P. Wessing, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

    Namens verzoeker heeft mr. Wessing op 4 oktober 2011 eveneens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

    Het College heeft een verweerschrift ingediend.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011. Daar is verzoeker, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

  2. OVERWEGINGEN

    1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

    1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

    1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 1.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

    1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

      2.1. Verzoeker ontving bijstand laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft het College de bijstand met ingang van 28 oktober 2003 ingetrokken en die beslissing bij besluit op bezwaar van 25 mei 2009...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT