Hoger beroep van Gerechtshof 's-Gravenhage, January 17, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/01/17
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht

Zaaknummer: 200.035.308/01

Rolnummer Rechtbank Amsterdam: 304207 / HA ZA 04-3746

Rolnummer Gerechtshof Amsterdam: 1290/06

Rolnummer Hoge Raad: C08/00732HR, LJN BG5846

arrest van 17 januari 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. Th. A. Velo te Utrecht,

tegen

Universiteit van Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de UvA,

advocaat mr. P.R.W. Schaink te Amsterdam.

Het geding

  1. Met betrekking tot het verloop van het geding wordt verwezen naar de inhoud van het arrest van 30 januari 2009 dat de Hoge Raad tussen de UvA als eiseres tot cassatie en [appellant] als verweerder in cassatie heeft gewezen. De Hoge Raad heeft bij arrest van 30 januari 2009 het arrest van het hof Amsterdam van 15 november 2007 waartegen beroep in cassatie was ingesteld, vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. Vervolgens heeft [appellant], na bij exploot van 28 mei 2009 de UvA te hebben opgeroepen voor dit hof teneinde het geding voort te zetten, een memorie na verwijzing genomen (genaamd “memorie van grieven”). De UvA heeft daarop een antwoordmemorie na verwijzing genomen (genaamd “akte van antwoord”) waarna [appellant] en de UvA nog van akte respectievelijk antwoordakte hebben gediend. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor arrest. Bij die stukken heeft het hof alleen in het dossier van [appellant], als productie bij de akte na verwijzing, een e-mail van 4 februari 2010 aan de raadsman van [appellant] aangetroffen, naar het hof begrijpt inhoudende de “medische verklaring” bedoeld onder punt 6. van die akte.

    Beoordeling van het hoger beroep

  2. Het hof gaat uit van de in het arrest van het hof Amsterdam onder 3.2.1 tot en met 3.4 vermelde vaststaande feiten, nu daartegen in cassatie niet is opgekomen, aangevuld met overigens (inmiddels) tussen partijen vaststaande feiten. Het gaat in dit geding om het volgende:

    2.1 [appellant], neerlandicus, geboren op [geboortedatum], is vanaf 1986 werkzaam geweest bij de UvA aan de Faculteit Letteren.

    2.2 [appellant] is bij besluit van de UvA van 7 april 1997 op grond van verstoorde arbeidsverhoudingen eervol ontslag verleend uit vaste dienst van de UvA per 1 juli 1997. Bij dit besluit is aan [appellant] een uitkering toegekend overeenkomstig de normen van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO) en is bepaald dat bij gebruik door hem van een outplacementbureau de daaraan verbonden kosten voor ten hoogste f. 30.000,-- ten laste van de UvA zijn. Tevens is in dit besluit opgenomen dat de UvA haar besluit zal intrekken indien [appellant] vóór 1 juli 1997 in een andere passende functie binnen de UvA wordt geplaatst.

    2.3 Het College van Bestuur van de UvA (CvB) heeft bij besluit van 2 oktober 1997 de door [appellant] tegen het besluit van 7 april 1997 aangevoerde bezwaren ongegrond verklaard.

    2.4 Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam, Sector Bestuursrecht, van 27 maart 2000 is op verzoek van [appellant] het ontslagbesluit van de UvA van 2 oktober 1997 vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het verleende ontslag voor [appellant] een onevenredig groot nadeel meebrengt, aangezien de gevolgen voor hem niet in verhouding staan tot het belang dat de UvA heeft bij verbreking van het dienstverband. Naar het oordeel van de rechtbank komt [appellant] meer toe dan de enkele BWOO-uitkering. Voorts heeft de rechtbank ten overvloede overwogen dat het CvB bij het nemen van een nieuw besluit inzake de hoogte van de ontslagvergoeding rekening dient te houden met de duur van het dienstverband en de leeftijd van [appellant], alsmede met het feit dat de kansen voor [appellant] op een baan op hetzelfde niveau door zijn (langdurige) arbeidsongeschiktheid vrij klein zijn. Bovendien was de rechtbank van oordeel dat het ontstaan van het geschil en de escalatie van de situatie niet zonder meer aan [appellant] kunnen worden verweten. De rechtbank gaf tevens aan dat een vergoeding van f. 45.000,-- netto de aangelegde toets wel zou kunnen doorstaan.

    2.5 Per e-mailbericht van 4 november 2002 heeft mr. S. de Vries namens de UvA aan de raadsman van [appellant] laten weten dat de UvA bereid was een regeling te treffen waarbij de bestaande wachtgeld/uitkeringsrechten werden gehandhaafd, een ontslagvergoeding werd toegekend overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank (f. 45.000,-- netto), een vergoeding werd toegekend wegens eventuele outplacementkosten tot een maximum van f. 25.000,-- en een vergoeding werd toegekend wegens proceskosten op basis van het puntenstelsel.

    2.6 De raadsman van [appellant] heeft daarop namens [appellant] de UvA bij brief 4 augustus 2003 aansprakelijk gesteld voor de tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid en ontslag geleden en te lijden schade:

    “[appellant] stelt de UvA aansprakelijk voor zijn arbeidsongeschiktheid, het daarop volgende ontslag en de daaruit voortvloeiende geleden en nog te lijden schade.

    [appellant] is van mening dat zijn arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door het werk en met name de zeer moeilijke werkomstandigheden waaronder hij heeft moeten functioneren. Voor een onderbouwing van dit standpunt verwijs ik, kortheidshalve en niet uitputtend, naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, sector Bestuursrecht van 27 maart 2000.

    [appellant] is bereid deze kwestie eens en vooral af te sluiten onder de volgende voorwaarden:

  3. Op basis van de uitspraak van de rechtbank een bedrag van fl. 45.000,00 netto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2000;

  4. De UvA was bereid de kosten van outplacement ad fl. 30.000,00 te vergoeden; [appellant] wil dit bedrag eveneens als schadevergoeding ontvangen om daaruit zelf arbeidsmarktinspanningen te kunnen plegen;

  5. Een vergoeding van de gehele kosten van juridische bijstand ad fl. 23.024,24 netto vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1995 en afgerond op fl. 30.000,00 netto;

  6. Een vergoeding voor verdwenen persoonlijke eigendommen (ruim 100 boeken en naslagwerken en inventaris kamer) ad fl. 5.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000;

  7. Een vergoeding van de capaciteitentest bij het bureau OTM/UvA ad fl. 450,00;

  8. Een aanvulling van de WAO - met terugwerkende kracht tot 21 oktober 1996 en vermeerderd met de wettelijke rente - op basis van de rechtspositie van de UvA gezien het feit dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] is veroorzaakt door het werk en de werkomstandigheden;

  9. Finale kwijting.

    Uiteraard dienen bovenstaande bedragen omgerekend te worden naar euro’s.

    Ik doe u dit aanbod onder voorbehoud omdat mijn cliënt op dit moment niet voor mij bereikbaar is.

    Ik verneem graag het standpunt van de UvA op het bovenstaande en ben uiteraard bereid tot overleg.

    Indien de UvA niet bereid tot een schadevergoeding als boven omschreven dan wel niet bereid is tot redelijk overleg, heb ik instructies een dagvaarding uit te brengen.”

    2.7 Mr. S. de Vries heeft namens de UvA bij brief van 20 augustus 2003 het voorstel van [appellant] afgewezen.

    2.8 Bij besluit van 4 november 2003 heeft het CvB overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2000 besloten het bestreden besluit van 7 april 1997 aan te vullen met de bepaling:

    “IV. Aan [appellant] een vergoeding ad € 20.250,- (netto) toe te kennen wegens door het ontslag gederfde c.q. nog te derven inkomsten.”

    en dat besluit voor het overige gehandhaafd.

    2.9 [appellant] heeft tegen dit nieuwe besluit op bezwaar bij brief van 10 december 2003, aangevuld bij brief van 8 oktober 2004, bezwaar gemaakt bij het CvB.

    2.10 Het CvB heeft bij besluit van 28 februari 2006 - samengevat - bepaald dat over de ontslagvergoeding (f. 45.000,-) wettelijke rente wordt toegekend, de kosten van de capaciteitentest van f. 450,- met rente worden vergoed, in de kosten van juridische bijstand een bedrag van € 322,- wordt toegekend en voor het overige het bestreden besluit van 4 november 2003 niet wordt herroepen.

    2.11 Nadat de rechtbank, sector bestuur, zich in de beroepsprocedure tegen het in 2.10 genoemde besluit (“besluit 2”) bij uitspraak van 27 maart 2007 onbevoegd had verklaard, heeft de CRvB bij uitspraak in hoger beroep van 2 april 2009, LJN BI1001, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van [appellant] ongegrond geoordeeld. De Raad, vooropstellend dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat “besluit 2” een schadebesluit inhield, was van oordeel dat het inleidend bezwaarschrift van [appellant] diende te worden aangemerkt als een aanvraag (als bedoeld in artikel 41 van de Ziekte- en Arbeidsongeschiktheidsregeling Nederlandse Universiteiten) om een aanvullende uitkering voor de gewezen ambtenaar die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving en bij wie de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate werd veroorzaakt door de aard van de opgedragen werkzaamheden of door de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht. Naar het oordeel van de Raad heeft de CvB de aanvraag van [appellant]...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT