Hoger beroep van Gerechtshof Arnhem, 17 februari 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:17 februari 2012
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem
SAMENVATTING

"Hulp bij zelfdoding door niet-arts. Geen schending gelijkheidsbeginsel en verwerping verweer overmacht in de vorm van noodtoestand (conflict van plichten - wettelijk plicht tegenover morele plicht)".

 
GRATIS UITTREKSEL

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002222-09

Uitspraak d.d.: 17 februari 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 29 mei 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 februari 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr W. Anker en mr J. Boksem naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Namens verdachte is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou dienen te worden nu, kort gezegd, de beslissing van de officier van justitie om verdachte (en de [stichting]) wel en de kinderen van mevrouw [overledene] niet te vervolgen “grillig” en “willekeurig” is en daardoor sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat dit verweer verworpen zou moeten worden op de wijze zoals de rechtbank dit heeft gedaan in het vonnis waarvan beroep.

De rechtbank overwoog daarbij het volgende:

“De rechtbank mag bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar

Ministerie de beslissing om tot vervolging over te gaan ten volle toetsen aan de

beginselen van een goede procesorde. De rechtbank is, ook gelet op de uitleg die de officier van justitie daarover heeft gegeven, van oordeel dat het verwijt dat verdachte wordt gemaakt van wezenlijk andere aard is dan het verwijt dat de kinderen van mevrouw [overledene] kan worden gemaakt. De rol die verdachte gehad zou hebben is meer sturend en faciliterend bij de verweten gedragingen dan die van de kinderen. Daarnaast is het begrijpelijk dat het Openbaar Ministerie rekening heeft gehouden met de emotionele betrokkenheid van de kinderen bij de doodswens en het overlijden van hun moeder.

De rechtbank is gelet op alle omstandigheden van oordeel dat geen sprake is van willekeur of strijd met het rechtsgelijkheidsbeginsel en dat zich in deze niet de situatie voordoet dat moet worden geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen. Het verweer wordt derhalve verworpen.”

Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het zijne.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijzigingen van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - (uiteindelijk) tenlastegelegd dat:

feit 1:

hij in de periode van 16 april 2007 tot en met 24 november 2007 in [plaats 1] en/of

[plaats 2], althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [overledene] bij zelfdoding behulpzaam is geweest, en/of haar opzettelijk

de middelen daartoe heeft verschaft, terwijl die zelfdoding daarop is gevolgd op

24 november 2007, doordat hij - verdachte - en of zijn mededader(s) daar toen

(telkens) opzettelijk

- met die [overledene] heeft/hebben besproken dat hij/zij hulp zou(den) verlenen bij

het door [overledene] beëindigen van haar leven en/of op welke wijze en/of wanneer

en/of in wiens aanwezigheid deze levensbeëindiging plaats zou vinden en/of

- een hoeveelheid pentobarbital aan die [overledene] heeft/hebben verstrekt;

of

de [stichting] in de periode van 16 april 2007 tot en met 24 november 2007 in [plaats 1] en/of [plaats 2], althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [overledene] bij zelfdoding behulpzaam is geweest, en/of haar opzettelijk

de middelen daartoe heeft verschaft, terwijl die zelfdoding daarop is gevolgd op 24 november 2007, doordat zij - verdachte - en of haar mededader(s) daar toen

(telkens) opzettelijk:

- met die [overledene] heeft/hebben besproken dat hij/zij hulp zou(den) verlenen bij

het door [overledene] beëindigen van haar leven en/of op welke wijze en/of wanneer

en/of in wiens aanwezigheid deze levensbeëindiging plaats zou vinden en/of

- een hoeveelheid pentobarbital aan die [overledene] heeft/hebben verstrekt,

tot/aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en)/handeling(en) verdachte

toen (telkens) opdracht en/of feitelijk leiding heeft gegeven.

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 16 april 2007 tot en met 24 november 2007 in [plaats 1], althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft vervoerd en/of verstrekt en of afgeleverd en/of aanwezig gehad

een hoeveelheid pentobarbital, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende pentobarbital, zijnde pentobarbital een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel een middel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid

van die Wet,

of

de [stichting] in of omstreeks de periode van 16 april 2007 tot en met 24 november 2007 in [plaats 1], althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft vervoerd en/of verstrekt en of afgeleverd en/of aanwezig gehad

een hoeveelheid pentobarbital, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende pentobarbital, zijnde pentobarbital een middel vermeld op de bi de Opiumwet behorende lijst II, dan wel een middel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid

van die Wet,

tot/aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en)/handeling(en) verdachte toen (telkens) opdracht en/of feitelijk leiding heeft gegeven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT