Voorlopige voorziening+bodemzaak van Centrale Raad van Beroep, February 13, 2012

Datum uitspraak:2012/02/13
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Beroep tegen het uitblijven van een besluit. De redelijke termijn voor het nemen van een besluit is niet overschreden. De minister was op het moment van het indienen van het beroepschrift niet in gebreke om tijdig een besluit te nemen. Voorts is niet gebleken dat verzoekster de minister in gebreke heeft gesteld, noch dat redelijkerwijs niet van verzoekster kon worden gevergd dat zij de minister... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

12/730 AW-VV en 12/729 AW

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], (verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 september 2011, 11/1025 en 11/4270,

in een geding tussen:

verzoekster

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister)

Datum uitspraak: 13 februari 2012

  1. PROCESVERLOOP

    Verzoekster heeft bij brief van 4 januari 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank ’s-Gravenhage (rechtbank) en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn door de rechtbank doorgestuurd naar deze Raad.

    De minister heeft schriftelijk gereageerd.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2012. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door D. Šakovic, juridisch adviseur. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Wieringa, mr. K.H. Tjan en dr. M.J. van de Velde.

  2. OVERWEGINGEN

    1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit de van volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

      1.1. Bij besluit van 1 oktober 2010 is verzoekster per laatstgenoemde datum ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 april 2011, met dien verstande dat de ingangsdatum van het ontslag is bepaald op de dag na die waarop het besluit van 1 oktober 2010 aan verzoekster is uitgereikt.

      1.2. Bij uitspraak van 20 september 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het besluit van de minister van 27 april 2011 ongegrond verklaard.

      1.3. Verzoekster heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij deze Raad, 11/6153 AW, en zij heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Bij uitspraak van 19 december 2011, 11/6154 AW-VV en LJN BU9026, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegewezen en de werking van de uitspraak van de rechtbank...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT