Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Arnhem, 26 maart 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:26 maart 2012
Uitgevende instantie::Rechtbank Arnhem
SAMENVATTING

De militaire kamer veroordeelt een 22 jarige korporaal tot een voorwaardelijke werkstraf van veertig uur wegens het meermalen medeplegen van een feitelijke aanranding van een medemilitair.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800970-10

Datum zitting : 12 september 2011 en 12 maart 2012

Datum uitspraak : 26 maart 2012

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

rang : korporaal,

ingedeeld bij : [standplaats].

Raadsman: mr. M.P.K Ruperti, advocaat te Amersfoort.

Officier van justitie mr. J.C. Stikkelman

  1. De inhoud van de tenlastelegging

    Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

  2. hij in of omstreeks de maand december 2009 te Schaarsbergen, gemeente Arnhem,

    opzettelijk mishandelend een persoon (te weten R. [slachtoffer1]), een (harde/stevige)

    sneeuwbal, althans een hard voorwerp (met kracht) in/tegen het gezicht,

    althans hoofd, heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn

    heeft ondervonden;

  3. hij als militair in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 31

    maart 2010, te of nabij Zoutkamp, gemeente De Marne, in elk geval in

    Nederland,

    tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

    opzettelijk R. [slachtoffer1], die toen militair was, althans die bij of ten behoeve

    van de krijgsmacht werkzaam was, feitelijk heeft bedreigd met geweld en/of

    feitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk die [slachtoffer1] op de grond

    liggend tussen hem, verdachte, en zijn mededader(s) in te klemmen, althans

    vast te houden en/of (vervolgens) met ontbloot onderlichaam op het gezicht,

    althans hoofd van die [slachtoffer1] te gaan zitten;

  4. hij als militair in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 1

    februari 2010, te of nabij Harskamp, gemeente Ede,, in elk geval in Nederland,

    tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

    opzettelijk A. [slachtoffer2], die toen militair was, althans die bij of ten behoeve van

    de krijgsmacht werkzaam was, feitelijk heeft bedreigd met geweld en/of

    feitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk die [slachtoffer2] op de grond

    liggend tussen hem, verdachte, en zijn mededader(s) in te klemmen, althans

    vast te houden en/of (vervolgens) met ontbloot onderlichaam op het gezicht,

    althans hoofd van die [slachtoffer2] te gaan zitten;

  5. Het onderzoek ter terechtzitting

    De zaak is laatstelijk op 12 maart 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.P.K Ruperti, advocaat te Amersfoort.

    De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

    Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

  6. De beslissing inzake het bewijs

    Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

    Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

    Standpunt van de verdediging

    Door en namens verdachte is betoogd, dat verdachte weliswaar een sneeuwbal heeft gegooid naar R. [slachtoffer1] (verder: [slachtoffer1]), maar dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad om [slachtoffer1] letsel of pijn toe te brengen. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 tenlastegelegde.

    Standpunt van de officier van justitie

    De officier van justitie heeft betoogd, dat verdachte door het gooien van een sneeuwbal in de richting van [slachtoffer1] de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat deze sneeuwbal [slachtoffer1] zou raken en pijn of letsel zou veroorzaken. Daarbij heeft de officier van justitie in aanmerking genomen dat [slachtoffer1] niet mee deed aan een sneeuwballengevecht eerder die avond en reeds in zijn legeringskamer in bed lag toen de sneeuwbal werd gegooid.

    Beoordeling van de militaire kamer

    De militaire kamer is van oordeel dat het er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte het kwade opzet had om [slachtoffer1] met de sneeuwbal pijn of letsel toe te brengen.

    Verdachte betwist voorts dat hij de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat [slachtoffer1] door zijn worp met de sneeuwbal pijn of letsel zou ondervinden. Hij verklaart dat hij denkt dat [slachtoffer1] de sneeuwbal heeft gevoeld maar dat hij zich niet kan voorstellen dat hij daardoor pijn heeft ondervonden.

    De militaire kamer overweegt dat het antwoord op de vraag of het tegen het gezicht van een slapende volwassen man gooien met een sneeuwbal de aanmerkelijke kans oplevert dat de getroffene daardoor pijn of letsel ondervindt, met name afhangt van met welke snelheid en vanaf welke afstand de sneeuwbal is gegooid en welke samenstelling (hardheid) de sneeuwbal had.

    Verdachte verklaart daarover bij de Koninklijke Marechaussee dat het een “stevige sneeuwbal” was die hij vanaf een meter of 4, maar niet met kracht, gooide. Uitgaande van die gegevens kan niet worden vastgesteld dat dit de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van pijn of letstel met zich bracht. De militaire kamer is voorts van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de sneeuwbal harder was (zoals ijs) en dat deze met meer kracht is gegooid dan verdachte verklaart. De enkele aangifte van [slachtoffer1] waarin hij verklaart dat het een ijsbal was en hij dat het hem pijn deed levert daarvoor onvoldoende overtuigend bewijs op, temeer nu deze aangifte pas negen maanden nadat het voorval had plaatsgevonden is gedaan.

    Ook overigens blijkt niet dat verdachte de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van pijn of letsel voor lief heeft genomen.

    Gelet op hierop is de militaire kamer van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, dat verdachte opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad op het toebrengen van lichamelijk letsel bij R. [slachtoffer1].

    De militaire kamer zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde.

    Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde

    Vaststaande feiten

    Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

    Omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 maart 2010 heeft nabij Zoutkamp, gemeente De Marne, een zogenaamd “3 man tillen incident” plaatsgevonden. Bij dit incident werd [slachtoffer1], die toen militair was , door een van zijn medemilitairen gevraagd mee te doen aan een weddenschap, waarbij hem werd voorgehouden dat een medemilitair 3 man zou kunnen optillen. Bij deze weddenschap moest [slachtoffer1] op zijn rug op de grond gaan liggen. Vervolgens haakten twee medemilitairen elk aan een kant van [slachtoffer1] de armen in de zijne. Ook werd zijn rechterbeen ingehaakt door een van de medemilitairen. Het rechterbeen van [slachtoffer1] was op dat moment in het gips. Een derde medemilitair heeft vervolgens zijn onderlichaam ontbloot en boven het gezicht van [slachtoffer1] een zittende beweging gemaakt .

    Ter zake van het onder 3 tenlastegelegde

    Vaststaande feiten

    Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

    Omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 1 februari 2010 heeft nabij Harskamp, gemeente Ede, een zogenaamd “3 man tillen incident” plaatsgevonden. Bij dit incident werd A...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT