Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 6 april 2012

Datum uitspraak: 6 april 2012
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Verzoek om premierestitutie. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Raad ziet geen enkele reden om tot een ander oordeel te komen dan weergegeven in LJN BO7432, LJN BO7444 en LJN BO7446. Van bekendheid met de bezwaartermijn kan als regel worden uitgegaan indien de belanghebbende, zoals in dit geval, voor afloop van de termijn reeds werd bijgestaan door een... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

10/4355 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Politie Brabant Zuidoost, gevestigd te Eindhoven (appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 juli 2010, 09/2045 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.D. Schouten, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs LLP, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2012. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Schouten. Het Uwv was vertegenwoordigd door R. Tjon. De zaak is gevoegd behandeld met de gedingen 10/4472 CSV en 10/4907 CSV ten name van het College van Bestuur van de Politieacademie en de Politie Noord-Holland Noord. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en is in deze zaken heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.

1.2. Namens appellante is bij brief van 31 december 2008 verzocht om restitutie van onverschuldigd betaalde premies werknemersverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004. Over deze periode zijn naar het oordeel van appellante - waarbij wordt verwezen naar het gewijzigde standpunt van de Belastingdienst dienaangaande - ten onrechte premies werknemersverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Tijdelijke Ouderenregeling (TOR) afgedragen. Het Uwv heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om herziening van de over de jaren 2002 tot en met 2004 vastgestelde premienota’s. Om met succes een beroep te kunnen doen op herziening van een eerder ingenomen standpunt moet sprake zijn van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Omdat naar zijn oordeel van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken, heeft het Uwv bij besluit van 19 januari 2009 dit verzoek afgewezen.

1.3. Bij besluit van 12 mei 2009, het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen het besluit van 19 januari 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv herhaald dat voor herziening slechts ruimte bestaat indien sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het door appellante aangevoerde, inhoudende dat een TOR-uitkering aangemerkt dient te worden als loon uit vroegere...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT