Cassatie van Hoge Raad, 8 juni 2012

Datum uitspraak: 8 juni 2012
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Beëindiging affectieve relatie zonder samenlevingscontract. Draagplicht vrouw met betrekking tot hypotheekrente en premies levensverzekering. Beoordelingsmaatstaf; Haviltex (vgl. HR 2 september 2011, LJN BQ3876, NJ 2012/75). Stilzwijgende afspraken, feitelijk gegroeide taakverdeling. Natuurlijke verbintenis? Maatstaf van HR 1 oktober 2004, LJN AO9558, NJ 2005/1.

 
GRATIS UITTREKSEL

8 juni 2012

Eerste Kamer

11/00723

DV/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

  1. de vonnissen in de zaak 286878/HA ZA 07-1613 van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2008 en 22 oktober 2008;

  2. het arrest in de zaak 200.023.552/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 november 2010.

    Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

    2. Het geding in cassatie

    Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

    De man heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in haar beroep dan wel verwerping van het beroep.

    De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

    De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

    De advocaat van de man heeft bij brief van 30 maart 2012 op die conclusie gereageerd.

    3. Beoordeling van het middel

    3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

    (i) Partijen hebben in de periode 29 januari 1992 tot 1 augustus 2005 een affectieve relatie gehad.

    (ii) Op 1 juni 1993 zijn partijen gaan samenwonen.

    (iii) Op 8 juni 1996 hebben partijen gezamenlijk de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de woning) betrokken.

    (iv) Partijen hebben de woning in gemeenschappelijke eigendom.

    (v) Op achtereenvolgens [geboortedatum] 1996 en [geboortedatum] 2002 zijn de kinderen van partijen geboren.

    (vi) Partijen hebben gedurende hun relatie geen samenlevingscontract gesloten.

    3.2 In cassatie gaat het om de vraag in hoeverre de vrouw dient mee te betalen aan de door de man met betrekking tot de woning betaalde hypotheekrente en premie levensverzekering. Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw draagplichtig is wat betreft de helft van de door de man in de periode 1 september 2002 tot en met 1 april 2009 betaalde hypotheekrente en wat betreft de helft van de door hem in die periode betaalde premie levensverzekering.

    3.3 Blijkens rov. 16-22 heeft het hof dit oordeel gegrond, verkort weergegeven, op de vaststelling dat de gelijke draagplicht van de man en de vrouw met betrekking tot de hypotheekrente en de premies levensverzekering, zoals die gold voor de geboorte van het tweede kind, niet is gewijzigd doordat de vrouw is gestopt met werken na die geboorte, omdat dit berust op haar eigen keuze die uitsluitend voor haar rekening en risico komt. De vrouw heeft voorts, ondanks het feit dat zulks op haar weg lag, geen afspraken met de man gemaakt ter afwijking van genoemde gelijke draagplicht. Ook dit komt voor haar risico. Niet kan gezegd worden dat in deze situatie de man voldeed aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, aldus het hof. Onderdeel A richt zich tegen deze overwegingen.

    3.4 In gevallen als het onderhavige dient zowel de vraag of bepaalde afspraken zijn gemaakt, alsook de vraag welke inhoud die afspraken hebben, te worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. Bovenstaande maatstaf geldt ook bij beantwoording van de vraag of afspraken (kunnen worden geacht te) zijn gewijzigd (vgl. HR 2 september 2011, LJN BQ3876, NJ 2012/75).

    3.5 De klachten van de onderdelen A1-A4 slagen.

    Het hierboven in 3.3 weergegeven oordeel van het hof komt erop neer, dat sprake is van door de vrouw gemaakte keuzes die alleen voor haar risico komen. Daarbij heeft het hof niet kenbaar aandacht besteed aan hetgeen door de vrouw in dit verband is aangevoerd, dat erop neerkomt dat zowel de man als zijzelf zich heeft gedragen in overeenstemming met door hen stilzwijgend gemaakte afspraken en de tussen hen feitelijk gegroeide taakverdeling. Indien het hof deze stellingen niet van belang heeft geacht, heeft het de hiervoor in 3.4 bedoelde beoordelingsmaatstaf miskend en is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof wel de juiste beoordelingsmaatstaf voor ogen heeft gehad, heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.

    3.6 Met betrekking tot de vraag of sprake was van een natuurlijke verbintenis heeft het hof wel de juiste maatstaf (van HR 1 oktober 2004, LJN AO9558, NJ 2005/1) onder ogen gezien, doch bij de toepassing deze maatstaf onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd door uitsluitend genoemde aan de vrouw toegeschreven en voor haar risico gebrachte keuzes aan zijn oordeel ten grondslag te leggen.

    3.7 De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

    3.8 Na verwijzing zal opnieuw moeten worden bezien of en in welke mate, doch in ieder geval voor ten hoogste de helft, de vrouw voor de periode van 1 september 2002 tot en met 1 april 2009 dient bij te dragen wat betreft de hypotheekrente en de premies levensverzekering met betrekking tot de woning.

    4. Beslissing

    De Hoge Raad:

    vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 november 2010;

    verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

    compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

    Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 8 juni 2012.

    Rolnr. 11/00723

    Mr M.H. Wissink

    Zitting: 16 maart 2012

    conclusie inzake

    [De vrouw],

    wonende te [woonplaats]

    tegen

    [De man],

    wonende te [woonplaats]

    Deze zaak ziet op de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen (de woning) van partijen die ongehuwd samenleefden.

    1. Feiten(1) en procesverloop

    1.1 a. Partijen hebben in de periode 29 januari 1992 tot 1 augustus 2005 een affectieve relatie gehad.

  3. Op 1 juni 1993 zijn partijen gaan samenwonen.

  4. Op 8 juni 1996 hebben partijen gezamenlijk de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] betrokken.

  5. Partijen hebben deze woning in gemeenschappelijk eigendom.

  6. Op achtereenvolgens [geboortedatum] 1996 en [geboortedatum] 2002 zijn de kinderen van partijen geboren.

  7. Partijen hebben gedurende hun relatie geen samenlevingscontract gesloten.

    1.2 De vrouw heeft bij dagvaarding van 21 juni 2007 de man gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en onder meer gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de woning te [plaats] en de daarop rustende hypotheekschuld met de daaraan verbonden verzekeringspolis aan de man zal worden toegedeeld en dat de man de helft van de overwaarde van de woning aan de vrouw zal voldoen. Een vergelijkbare vordering stelde zij in ten aanzien van de aan partijen toebehorende onroerende zaak [b-straat 1] te Spanje.

    De man heeft in reconventie eveneens de toedeling aan hem gevorderd van de woning te [plaats] met de hypotheekschuld. Volgens de man was sprake van onderwaarde en diende de vrouw te delen in de helft van alle kosten die betrekking hebben op de woning. De man vorderde dat de vrouw aan de man zal betalen een bedrag van € 325.721,80 uit hoofde van de verdeling van de woning en de door hem betaalde bedragen voor het project [A].

    1.3 De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 oktober 2008 geoordeeld dat in de relatie van partijen een eenvoudige gemeenschap is ontstaan die in ieder geval het perceel met de daarop gebouwde woning omvat (rov. 5.2 op p. 3, bovenaan). De rechtbank stelde de overwaarde van de woning, na aftrek van de hypotheekschuld (€ 345.000,-) en van de door de man in de woning geïnvesteerde privé-middelen (€ 248.000,-), op € 82.000,-. Daarvan komt de helft aan ieder van partijen toe (p. 3, onderaan).

    De rechtbank kende de man geen vergoeding toe voor de door hem verrichte arbeidsinspanningen ten behoeve van de bouw van de woning (p. 4, bovenaan).

    De met de woning samenhangende betalingsverplichtingen dienen volgens de rechtbank in beginsel bij helfte te worden gedragen nu de woning gemeenschappelijk is en partijen daarin een gelijk aandeel hebben. Gesteld noch gebleken is dat er aanleiding bestaat om van deze verdeling af te wijken (p. 4, onderaan). De helft van de door de man betaalde hypotheekrente en premie levensverzekering (samen € 74.752,-) dienen door de vrouw te worden vergoed en komen in mindering op haar deel van de overwaarde (€ 41.000,-), zodat zij de man dient te betalen € 33.752,-. De door de man gevorderde woonvergoeding over de periode na het verbreken van de relatie wordt afgewezen (p. 5, midden).

    De vorderingen ter zake van de onroerende zaak te Spanje is door de rechtbank afgewezen nu niet vaststaat dat deze tot de gemeenschap van partijen behoort (rov. 5.3). De vordering tot verdeling van de levensverzekering is afgewezen, omdat deze in 2003 was afgekocht (rov. 5.4).

    De rechtbank deelde de woning te [plaats] toe aan de man onder de verplichting de hypothecaire lening voor zijn rekening te nemen en veroordeelde de vrouw om € 33.752,- aan de man te betalen.

    1.4 Het hoger beroep zag op deze veroordeling tot betaling. De vrouw heeft in hoger beroep gevorderd dat de man zal worden veroordeeld om in het kader van de verdeling/verrekening van het gezamenlijk vermogen aan haar te betalen € 279.440,-.

    De man heeft in het door hem ingestelde incidenteel appel gevorderd dat de vrouw zal worden veroordeeld om aan hem te betalen een bedrag van primair € 359.454,-, subsidiair € 198.578,-, meer subsidiair € 16.915,-, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag. Tevens vorderde de man dat de vrouw zou worden...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT