Verzet van Gerechtshof Amsterdam, July 05, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/07/05
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
SAMENVATTING

Uitspraak op verzet. Forse verlaging griffierecht vanwege financiële positie. Heffing van € 112 verhindert in het onderhavige geval de toegang tot de rechter, terwijl dat een recht is dat gewaarborgd wordt door het EVRM en het Handvest EU, en ook een algemeen rechtsbeginsel is. Het Hof heeft het griffierecht verminderd tot € 20.

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 11/00917

uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de vierde meervoudige belastingkamer

op het verzet van

[X], wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 8 maart 2012 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), met kenmerknummer AWB 10/2093 van 21 oktober 2011.

  1. Ontstaan en loop van het geding

    1.1. De inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht (hierna: de inspecteur) heeft belanghebbende over het tijdvak 2005 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB) opgelegd van € 188.070, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 86.500.

    1.2. De inspecteur heeft belanghebbende over het tijdvak 2006 een naheffingsaanslag LB opgelegd van € 77.470, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 29.365.

    1.3. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen en de boeten gehandhaafd.

    1.4. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) verminderd tot € 80.158 voor 2005 en € 27.345 voor 2006.

    1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld, bij brief van 2 december 2011, ingekomen bij het Hof op 5 december 2011. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 januari 2012. Het hoger beroep is bij uitspraak van 8 maart 2012, verzonden op 12 maart 2012, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet is betaald.

    1.6. Belanghebbende heeft tegen de onder 1.5 bedoelde uitspraak van het Hof verzet aangetekend. Het op 19 april 2012 gedagtekende verzetschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 23 april 2012.

    1.7. Het verzet is behandeld ter zitting van het Hof van 5 juni 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

    1.8. Op 19 juni 2012 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende.

    1.9. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten, met instemming van de zijde van belanghebbende is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

  2. Beoordeling van het verzet

    2.1. Bij aangetekend schrijven verzonden op 5 januari 2012 heeft de griffier van het Hof belanghebbende bericht dat ter zake van de indiening van het hoger beroepschrift een griffierecht van € 112 verschuldigd is en dat het verschuldigde bedrag uiterlijk 2 februari 2012 diende te zijn bijgeschreven op de in die brief vermelde rekening dan wel contant ter griffie diende te zijn betaald.

    2.2. Bij vonnis van 25 mei 2010 van de rechtbank Utrecht is belanghebbende in staat van faillissement verklaard. Het vonnis is in hoger beroep bekrachtigd. Het tegen de desbetreffende uitspraak ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 17 december 2010. De curator in het faillissement van belanghebbende heeft de rechtbank bij brief...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT