Herziening van Centrale Raad van Beroep, July 03, 2012

Datum uitspraak:2012/07/03
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing verzoek om herziening. Het arrest van het hof kan niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, reeds omdat dit arrest is gewezen na de uitspraak van de Raad. Overigens is het oordeel van het hof dat de opzet van verzoekster ten aanzien van de tenlastegelegde overtreding niet kan worden bewezen, geenszins onverenigbaar met het oordeel van... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

10/6660 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 november 2010, 08/6712 WWB en 08/6713 WWB

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)

Datum uitspraak: 3 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. P. Hoogenraad, advocaat, om herziening gevraagd van de uitspraak van de Raad van 2 november 2010, LJN BO2768.

Het college heeft een reactie op het verzoek ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2012. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogenraad. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

  1. Bij de uitspraak van 2 november 2010 heeft de Raad, voor zover hier van belang, het volgende geoordeeld. [G.] en verzoekster hebben in de periode van 1 april 2006 tot 3 mei 2007 een gezamenlijke huishouding gevoerd. [G.] is de wettelijke inlichtingenverplichting niet nagekomen door de gezamenlijke huishouding niet aan het college te melden. Omdat aan [G.] over de genoemde periode ten onrechte als zelfstandig rechtssubject bijstand is verleend, was het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd de bijstand van haar over die periode in te trekken. Nu de uitoefening van die bevoegdheid niet is bestreden, is daarmee tevens gegeven dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de voor [G.] over de periode van 1 april 2006 tot en met 28 februari 2007 gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen. Aangezien vaststaat dat verzoekster degene is met wier middelen bij de aan [G.] verleende bijstand rekening diende te worden gehouden, is het college tevens bevoegd deze kosten van bijstand op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van verzoekster terug te vorderen. De door verzoekster aangevoerde beroepsgrond dat zij van het college geen bijstand ontving en niet van de aan [G.] verleende bijstand heeft geprofiteerd, slaagt niet, nu genoemde omstandigheden, gelet op artikel 59, tweede lid, van de WWB geen voorwaarden zijn voor de bevoegdheid van het college om tot medeterugvordering over te kunnen gaan.

  2. Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De uitspraak van de Raad is onverenigbaar met het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage (hof) van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT