Cassatie van Centrale Raad van Beroep, 9 november 2004

Datum uitspraak: 9 november 2004
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Vaststelling gezamenlijke huishouding. Intrekking bijstandsuitkering en terugvordering gemaakte kosten van bijstand.

 
GRATIS UITTREKSEL

02/2979 NABW

02/2980 NABW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats 1], appellant, en

[appellante], wonende te [woonplaats 2], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, gedaagde,

  1. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

    Namens appellanten heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 april 2002, reg.nrs. 00/1179 en 00/1180.

    Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

    Namens appellanten is een reactie ingezonden, waarop gedaagde op zijn beurt schriftelijk heeft gereageerd.

    Namens appellanten zijn nadere stukken ingezonden

    De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 28 september 2004, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar en C.H. Rodrigues-Haselhoef, wonende te 's-Gravenhage, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.M. Amerongen, werkzaam bij de gemeente Barneveld.

  2. MOTIVERING

    De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    Appellant heeft - met onderbrekingen - sinds 1 juli 1983 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Na de inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet (Abw) is die uitkering voortgezet op grond van die wet. In 1998 is het vermoeden gerezen dat appellant niet woonde op het door hem opgegeven adres [adres] te [woonplaats 1]. Naar de gerechtvaardigdheid van dat vermoeden is onderzoek ingesteld door de sociale recherche. In het kader van dat onderzoek zijn onder meer appellanten gehoord en verklaringen van getuigen opgenomen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 april 1999. Op grond van dat rapport heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant in ieder geval vanaf 1 april 1989 geen feitelijke verblijfplaats heeft gehad in de gemeente [woonplaats 1] en dat hij met ingang van die datum in de gemeente [woonplaats 2] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellante, van welke feiten hij naar gedaagde toe geen melding heeft gemaakt op de inlichtingenformulieren of anderszins.

    Gedaagde heeft hierin aanleiding gevonden om het recht op uitkering van appellant bij besluit van 10 juni 1999 met ingang van 1 april 1989 in te trekken en de over de periode van 15 juni 1994 tot en met 28 februari 1999 gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van f 81.926,64 van appellant terug te vorderen. Bij separaat besluit van 10 juni 1999 heeft gedaagde de gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van appellante.

    Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen het aan hem gerichte besluit van 10 juni 1999 bij besluit van 17 mei 2000 ongegrond verklaard (besluit 1). Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellant in ieder geval 4 5 nachten in de week bij appellante in [woonplaats 2] verbleef en in de zomermaanden op de camping in Diepenheim, zodat hij gezien het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van de Abw geen recht had op bijstand jegens gedaagde. Voorts stelt gedaagde zich op het standpunt dat appellant en appellante in de periode in geding een gezamenlijke...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT