Cassatie van Gerechtshof Amsterdam, 13 december 2004

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:13 december 2004
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
SAMENVATTING

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte gedurende een periode van ongeveer een jaar een spilfunctie heeft vervuld binnen een organisatie die zich bezighield met de handel in harddrugs en het opzetten van een transportlijn voor... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

Parketnummer: 21-004430-03

Uitspraak dd.: 13 december 2004

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 5 september 2003 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 mei 2004, 6 augustus 2004 en 29 november 2004 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de nadere omschrijving van de tenlastelegging bijlage IIb)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtmatigheid van het verkregen bewijs

De verdediging heeft zakelijk weergegeven aangevoerd dat de Duitse autoriteiten in antwoord op het rechtshulpverzoek van de Utrechtse officier van justitie op 5 november 2001, welk antwoord kennelijk per fax is verzonden op 6 november 2001, voor een periode van vier weken toestemming hebben verleend voor grensoverschrijdende observatie door Nederlandse opsporingsambtenaren maar dat daarbij geen toestemming is gegeven voor het uitlezen van plaatsbepalings- en OVC-apparatuur. Zonder die toestemming op Duits grondgebied verkregen bewijs dient daarom voor de bewijsvoering te worden uit gesloten. De stelling van de verdediging is dat het adres van [-], de uiteindelijke vindplaats van de XTC, in beeld is gebracht door middel van de peilzenders, en dat de daarop volgende observatie het directe gevolg is van het uitlezen van de cordinatiepunten van de peilzender. De vindplaats van de XTC is derhalve onrechtmatig verkregen en daardoor is ook de inbeslagname van de aangetroffen XTC onrechtmatig.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Uit het onderzoek blijkt dat de officier van justitie een bevel tot het opnemen van vertrouwelijk communicatie heeft afgegeven, welk bevel laatstelijk verlengd is op 26 oktober 2001 voor een periode van vier weken, welke periode afliep op 26 november 2001. Voorts heeft de officier van justitie op 3 juli 2001 een bevel tot observatie afgegeven, welk bevel laatstelijk voor een periode van drie maanden is verlengd op 14 september 2001. Uit diverse OVC's (A39/01155, A39/01184, A39/01187) en de observatie op 1 november 2001 (AH/182) valt af te leiden dat het prepareren van motoren voor het vermoede transport van harddrugs, althans het in een container laden van die motoren zou plaats vinden in Duitsland. Deze kennis bestond onafhankelijk van de mededeling van een lid van de observatie eenheid op 1 november 2001 om 12.12 uur dat de Volkswagen Bora (met vermoedelijk als inzittenden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]) volgens de plaatsbepalingsapparatuur in Aken is geweest en enige tijd stil heeft gestaan op het industriegebied Feldchen.

Op 2 november 2001 is in overleg met de officier van justitie door de teamleider van het project Exana telefonisch contact opgenomen met diens collega H. Weilacher van KK 21, Polizei Praesidium Aachen met het verzoek om[medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] te observeren. Per telefax werden de foto's van[medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ter beschikking gesteld. Op 2 november 2001 deelde Weilacher telefonisch mee dat tussen 12.40 uur en 13.20 uur twee personen, door hen middels de foto's herkend als[medeverdachte 4] en [medeverdachte 3], in het pand van het bedrijf [--] geweest waren.

Op 3 december 2001 vanaf circa 15.00 uur wordt een observatie eenheid van de politie uit Duitsland verzocht uit te kijken naar de personenauto, merk Opel, type Astra, voorzien van het kenteken [--] en een paarse Mercedes, soortgelijk aan die van [medeverdachte 3], type 320, kenteken [--]. Dit verzoek is gebaseerd op de toestemming van de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT