Hoger beroep van Hoge Raad, 14 december 1999

Datum uitspraak:14 december 1999
Uitgevende instantie::Hoge Raad
 
GRATIS UITTREKSEL

14 december 1999

Strafkamer

nr. 110683 A

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een vonnis van het

Gemeenschappelijk Hof van

Justitie van de Nederlandse

Antillen en Aruba van 31 maart

1998 in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboorte-jaar] 1966, wonende op [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Korrektie Insti-tuut op Aruba.

  1. De bestreden uitspraak

    Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 3 oktober 1997, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, - de beklaagde ter zake van 1. "als ambtenaar: - een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem

    te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en - een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening is gedaan, meermalen gepleegd", 2. "mede- plegen van het als ambtenaar een gift of belofte aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen" en 3. "opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf.

  2. Geding in cassatie

    Het beroep is ingesteld door de beklaagde. Namens deze heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te

    's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

    De Advocaat-Generaal Jrg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

    De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de terechtzitting waarop de conclusie van de Advocaat-Generaal is genomen nog ingekomen brief van de

    raadsman, gedateerd 7 december 1999.

  3. Beoordeling van het eerste en van het vierde middel

    3.1. De middelen keren zich tegen de verwerping door het Hof van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging van de beklaagde. Voorts komt het eerste middel op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de verklaringen van [X.], [Y.] en [Z.] op onrechtmatige wijze verkregen zijn en niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.

    3.2. De bestreden uitspraak houdt in dat het Hof het in het middel bedoelde verweer als volgt heeft weer-gegeven en verworpen:

    "Door de raadsman is aangevoerd dat het

    "openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de "strafvervolging van de beklaagde dient te wor"den verklaard omdat de verklaringen van [X.], [Y.] en [Z.] zijn afgelegd nadat met hen "een overeenkomst is gesloten waarbij hun "bepaalde voordelen werden toegekend. Hij heeft "gesteld dat voor dergelijke overeenkomsten geen "wettelijke grondslag aanwezig is, de afgelegde "verklaringen onbetrouwbaar zijn en aan de "ongeschreven beginselen van subsidiariteit en "proportionaliteit niet is voldaan.

    "Dit verweer wordt op alle onderdelen verworpen.

    "Voorop moet worden gesteld dat aan het openbaar "ministerie in beginsel niet de bevoegdheid kan "worden ontzegd om met getuigen afspraken te "maken. Een wettelijke grondslag daarvoor is "niet vereist.

    "De gemaakte afspraken houden - kort weergegeven "- in, dat het openbaar ministerie zal be-vor"deren dat betrokkenen hun resterende "gevangenisstraffen in een open of half open "inrichting in Nederland ondergaan, dat de "overeenkomsten bij een eventueel gratieverzoek "kenbaar zullen worden gemaakt en dat een "bepaald geldbedrag aan ieder zal worden "betaald. Zulks teneinde hen bereid te laten "zijn om verklaringen in onder meer de strafzaak "tegen beklaagde af te leggen.

    "Belangrijk is dat de afspraken de opgelegde "gevangenisstraffen als zodanig in stand laten "en er uitdrukkelijk geen immuniteit is verleend "terzake de vervolging voor strafbare feiten die "uit de afgelegde verklaringen zouden kunnen "blijken. Met betrekking tot de financile ver"goedingen is aannemelijk dat deze zijn "toegekend voor de bestrijding van extra kosten "die betrokkenen en hun familie hebben door de "verdere tenuitvoerlegging van de gevangenis- "straffen in Nederland.

    "De afspraken moeten worden bezien tegen de ach"tergrond van de buitengewoon problematische "situatie in het Korrektie Instituut Aruba. Een "gedetineerde was ontsnapt en er waren aan-wij"zingen dat gevangenbewaarders daarbij hulp had"den geboden, terwijl er sterke geruchten waren "dat gevangenbewaarders reeds geruime tijd ver"dovende middelen aan gedetineerden verstrek-ten. "Indien [X.], [Y.] en [Z.] daarover "belas-tende verklaringen zouden afleggen en ver"volgens in het Korrektie Instituut Aruba "gedetineerd zouden blijven, zouden zij hiervan "ernstige gevolgen door wraakneming zijdens "andere gedetineerden of gevangenbewaarders kun"nen ondervinden.

    "Mede gelet op de acute noodzaak om bewijs te "vergaren en de afhankelijkheid daarbij van "verklaringen van gedetineerden, die bevreesd "waren voor de gevolgen en daarom niet snel "geneigd zouden zijn mede te werken, stond het "openbaar ministerie in redelijkheid geen andere "mogelijkheid ter beschikking dan aan [X.], [Y.] en [Z.] te garanderen dat zij hun "straf niet langer in het Korrektie Instituut

    "Aruba behoefden te ondergaan. Voorts staat vast "dat de op schrift gestelde afspraken in het "strafdossier zijn gevoegd en dat de toenmalige "raadsman van de beklaagde de gelegenheid heeft "gekregen om [X.], [Y.] en [Z.] over de "tot-standkoming van de afspraken, de inhoud "daarvan en over de vervolgens door hen "afgelegde ver-klaringen bij de rechter-commis"saris in Nederland te ondervragen.

    "Door aldus te handelen heeft het openbaar "ministerie zorgvuldig gehandeld, met "inachtneming van de beginselen van "proportionaliteit en subsidiariteit, en zonder "veronachtzaming van enig zwaarwegend beginsel "van een goede procesorde. De gemaakte afspraken "raken bovendien niet rechtstreeks het belang "van de beklaagde".

    Het Hof heeft op dezelfde gronden als waarop het het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging heeft verworpen, het verweer verworpen dat de verklaringen van [X.], [Y.] en [Z.] als onrechtmatig verkregen niet tot het bewijs mochten worden gebezigd, welk verweer op de-zelfde...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT