Herziening van Rechtbank 's-Gravenhage, Haarlem, 17 juli 2001

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:17 juli 2001
Uitgevende instantie::Haarlem
SAMENVATTING

SAMENVATTING Sri Lanka / Tamil / littekens. Kernpunt in deze zaak is of verweerder zijn inschatting dat littekens bij terugkerende Tamils geen zelfstandig risico vormen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM heeft kunnen baseren op het ambtsbericht van 27 april 2001. Met betrekking tot de bronvermelding van het ambtsbericht heeft het de president verwonderd dat in deze kwestie geen advies is gevraagd van organisaties... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

president

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 71, 96 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01 / 27841 BEPTDN H (voorlopige voorziening)

AWB 01 / 27842 BEPTND H ( beroep)

AWB 01 / 27745 BEPTND H (beroep ex artikel 96 Vw)

inzake: A, verblijvende in het Grenshospitium in Amsterdam,

gemachtigde: mr. C.J. Schoorl, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.A. Buschman, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

  1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

    1.1 Verzoeker, geboren op [...] 1980 bezit de Sri Lankaanse nationaliteit. Op 3 december 2000 is verzoeker ex artikel 6 Vw (oud) op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Op diezelfde datum is ten aanzien van verzoekster de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw (oud) toegepast. Op 4 december 2000 heeft verzoeker voor de eerste keer een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 6 december 2000, genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure, heeft verweerder de betreffende aanvraag niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Bedoelde beschikking strekte tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Het tegen deze beschikking ingestelde beroep alsmede het verzoek om een voorlopige voorziening zijn bij uitspraak van 21 december 2000 door de president van deze rechtbank en nevenzittingsplaats Haarlem ongegrond verklaard.

    1.2 Thans is aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep d.d. 27 juni 2001 van verzoeker tegen het besluit van verweerder van 27 juni 2001. Dit besluit behelst de afwijzing van de herhaalde aanvraag van verzoeker van 1 juni 2001 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep de werking van het besluit niet opschort.

    1.3 Verzocht wordt om opschorting van de werking van het besluit tot op het beroep is beslist. Tevens wordt verzocht om een verbod op uitzetting hangende het beroep.

    1.4 Voorts is aan de orde het beroep van 27 juni 2001 gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a Vw (oud) die verweerder verzoeker met ingang van 3 december 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

    1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 5 juli 2001. Ter zitting hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigde hun standpunten nader uiteengezet. Na een heropening van het onderzoek heeft verweerder nog een reactie gegeven op een door de gemachtigde in het geding gebrachte brief.

  2. OVERWEGINGEN

    In de voorlopige voorziening

    2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

    2.2 Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 Awb kan de president, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De president ziet in dit geval aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

    In de hoofdzaak

    2.3 In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de beschikking van verweerder van 27 juni 2001, strekkende tot het niet toelaten van verzoeker als vluchteling en het niet verlenen aan verzoeker van de vergunning tot verblijf, in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit, gelet op de feiten en omstandigheden, ten tijde van het nemen van dit besluit, de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

    2.4 Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is, die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen en van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

    Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT