Voorlopige voorziening van Gerechtshof 's-Hertogenbosch, Voorzieningenrechter, 19 april 2004

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:19 april 2004
Uitgevende instantie::Voorzieningenrechter
SAMENVATTING

Naar het voorlopige oordeel van de Voorzieningenrechter heeft de Ontvanger feiten noch omstandigheden aannemelijk gemaakt, die zijn beroep op artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van de WOB, zoals verstaan als is weergegeven onder 6.51, schragen. Evenmin heeft de Ontvanger naar het voorlopige oordeel van de Voorzieningenrechter feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, waaruit volgt dat de op ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

BELASTINGKAMER

Nr. 03/02778

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van de Voorzieningenrechter van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op na te melden verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd te Y (hierna: verzoekster).

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 11 november 2002 is verzoekster bij voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel 49, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (in de tekst geldend tot 1 december 2002; hierna: de beschikking) door het hoofd van de eenheid Ondernemingen A van de rijksbelastingdienst in diens hoedanigheid van ontvanger (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van verzoekster bevoegde ontvanger, aan te duiden als: de Ontvanger) aansprakelijk gesteld voor de aan XY Ltd over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 30 september 2000 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premieheffing volksverzekeringen, aanslagnummer 0000000000..00..0000, en voor de aan XY Ltd over het tijdvak 1 oktober 2000 tot en met 31 mei 2002 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premieheffing volksverzekeringen, aanslagnummer 000.000.00.X.000(hierna: de naheffingsaanslagen). De Ontvanger heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat XY Ltd in gebreke is gebleven de naheffingsaanslagen te voldoen.

Deze aansprakelijkstelling heeft verzoekster bij brief van 18 december 2002 op de voet van artikel 49, derde lid, van de Invorderingswet 1990 (in de tekst geldend tot 1 december 2002) betwist.

Eveneens bij brief van 18 december 2002 heeft verzoekster, op de voet van artikel 50, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (in de tekst geldend tot 1 december 2002) bij het hoofd van de eenheid Ondernemingen A van de rijksbelastingdienst in diens hoedanigheid van inspecteur (hierna: de Inspecteur) bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen.

Bij uitspraak van 17 december 2003 heeft de Ontvanger het bezwaar van de belanghebbende tegen de beschikking ongegrond verklaard.

Tegen de vorenvermelde uitspraak van de Ontvanger van 17 december 2003 heeft verzoekster op 5 januari 2004 beroep ingesteld bij het Hof.

Bij schrijven van 12 december 2003, door de Voorzieningenrechter op diezelfde dag als faxbericht ontvangen, heeft verzoekster op de voet van het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb verzocht met betrekking tot de beschikking een voorlopige voorziening te treffen, waarbij zij primair verzoekt om aan de Ontvanger op te dragen dat hij aan haar inzage geeft en afschriften verstrekt van alle bescheiden en andere gegevensdragers die betrekking hebben op de beschikking houdende de aansprakelijkstelling van 11 november 2002, daaronder begrepen:

- een print-out van de D archiefgegevens en van de in GOA voorkomende gegevens van de betreffende aanslagen;

- bezwaar en/of beroepschriften door of namens XY Ltd terzake de aanslagen waarvoor De Meeuw aansprakelijk wordt gehouden;

- alle stukken met betrekking tot de (dwang)invordering ten laste van XY Ltd;

- kopie van het ingestelde internationale verhaalsonderzoek bij de formele bestuurders van XY Ltd, dan wel de schriftelijke bevestiging inhoudende dat dit verhaalsonderzoek niet heeft plaatsgevonden; en

- kopieÎn van alle overige correspondentie (waaronder rapporten van boekenonderzoeken) met betrekking tot de naheffingsaanslagen tussen de Inspecteur en XY Ltd.

Subsidiair verzoekt zij tot het treffen van een zodanige voorziening als de Voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

Ter zake van dit verzoek heeft de Griffier van verzoekster een recht geheven van € 218,=. De Ontvanger heeft een verweerschrift met dagtekening 23 januari 2004, met drie bijlagen, ingediend.

Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting heeft verzoekster een stuk d.d. 2 maart 2004 ingezonden, welke door de Griffier in afschrift aan de Ontvanger is verzonden. Dit stuk wordt tot de stukken van het geding gerekend.

Het onderzoek ter zitting van het verzoek heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van 12 maart 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer mr. F, als advocaat-belastingkundige verbonden aan het kantoor te Rotterdam van XA Advocaten als gemachtigde van verzoekster, alsmede, namens de Ontvanger, de heer R., tot bijstand vergezeld van mevrouw mr. S. verbonden aan het vorengenoemd onderdeel van de rijksbelastingdienst, en de heer mr. P., eveneens verbonden aan het vorengenoemd onderdeel van de rijksbelastingdienst, de Ontvanger tot bijstand vergezellend namens de Inspecteur.

Verzoekster heeft voorafgaande aan deze zitting een pleitnota aan de Voorzieningenrechter en de Ontvanger toegezonden, welke pleitnota met instemming van partijen geacht wordt ter zitting te zijn voorgedragen. De Ontvanger heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Voorzieningenrechter en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft verzoekster daarbij ÈÈn bijlage d.d. 5 januari 2004 overgelegd. De Voorzieningenrechter rekent deze pleitnota's, met bijlage, tot de stukken van het geding.

2. Vaststaande feiten

2.1. De ondernemingsactiviteiten van verzoekster bestaan uit het vervaardigen, het verkopen en het verhuren van verplaatsbare huisvesting op maat.

2.2. Verzoekster maakte gebruik van personeel van XY Ltd. Aan XY Ltd zijn twee eerder vermelde naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 30 september 2000 ter grootte van fl. 4.283.648,= aan enkelvoudige belasting, een tegelijkertijd met de naheffingsaanslag afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met fl. 4.283.648,= aan boete en een tegelijkertijd met de naheffingsaanslag afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met fl. 74.531,= aan heffingsrente; over het tijdvak 1 oktober 2000 tot en met 31 mei 2002 ter grootte van fl. 1.299.463,= aan enkelvoudige belasting en een tegelijkertijd met die naheffingsaanslag afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met fl. 39.769,= aan heffingsrente. XY Ltd is tegen de naheffingsaanslagen in bezwaar gegaan. Van de uitspraken op bezwaar is XY Ltd op 11 oktober 2001 respectievelijk 15 maart 2002 in beroep gekomen bij het Hof. Beide beroepen heeft XY Ltd op 9 mei 2003 ingetrokken.

2.3. Bij de eerder vermelde beschikking van 11 november 2002 heeft de Ontvanger verzoekster op de voet van artikel 49, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (in de tekst geldend tot 1 december 2002) aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslagen voor een bedrag van € 423.059,= met als grondslag primair artikel 34 en subsidiair artikel 35 van de Invorderingswet 1990 (in de tekst geldend tot 1 december 2002).

2.4. Verzoekster heeft bij brief van 18 december 2002, gericht aan de Ontvanger, de beschikking op de voet van artikel 49, derde lid, van de Invorderingswet 1990 (in de tekst geldend tot 1 december 2002) betwist en verzoekster heeft bij brief van 18 december 2002, gericht aan de Inspecteur, op de voet van artikel 50, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (in de tekst geldend tot 1 december 2002) bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslagen ten name van XY Ltd.

2.5. Bij brief van 31 januari 2003 heeft de Ontvanger de ontvangst van evengenoemd bezwaarschrift bevestigd en verzoekster onder meer meegedeeld:

'Op grond van artikel 67 Invorderingswet 1990, alsmede artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen jo artikel 7:4 lid 6 AWB wordt geen inzage verstrekt van het volledige heffings- en invorderingsdossier. Wel wordt inzage verstrekt van het aansprakelijkheidsdossier (onderdeel van het invorderingsdossier van XY Ltd) van uw cliÎnt.'

en

'Indien u van mening bent dat niet verstrekte gegevens wel noodzakelijk zijn om het bezwaarschrift te kunnen motiveren verzoek ik u dat gemotiveerd aan te geven. Ik zal uw verzoek dan opnieuw beoordelen.'.

2.6. Bij brief van 20 februari 2003 heeft verzoekster aangegeven het niet eens te zijn met het standpunt van de Ontvanger en een nadere motivering vÛÛr 1 maart 2003 aangekondigd. Bij brief van 26 februari 2003 heeft verzoekster gemotiveerd uiteengezet waarom zij meent wel recht te hebben op inzage van de gevraagde stukken.

2.7. In zijn brief van 12 maart 2003 heeft de Ontvanger hierop gereageerd - voor zover hier van belang - als volgt:

'Blijkens artikel 1 lid 2 van de Invorderingswet 1990 (verder: Inv.) is hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Mijn beroep op geheimhouding op grond van artikel 7:4 lid 6 Awb gaat dan ook niet op, blijft geheimhouding op grond van de Invorderingswet 1990 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

(...)

Wat ons verdeeld houdt is de vraag of het gevraagde bescheid, of gegeven redelijker wijs van belang is om het bezwaarschrift te kunnen motiveren (...) en ook aan de belastingschuldige zelf verstrekt zou worden. Voorts wil ik daar aan toevoegen dat een informatieplicht niet bestaat met betrekking tot gegevens die geen rechtstreeks verband houden met de belastingaanslag (artikel 49 ß 2 lid 6 LI).'.

2.8. Bij brief van 21 maart 2003, eveneens verzonden per faxbericht, heeft verzoekster de Ontvanger wederom verzocht de gevraagde stukken alsnog te verstrekken.

2.9. In zijn brief van 21 maart 2003 heeft de Ontvanger geantwoord - voor zover hier van belang - als volgt:

'U heeft tot op heden op geen enkele wijze kunnen aannemelijk maken, laat staan overtuigen, dat, en op welke gronden, u die bescheiden nodig heeft om het bezwaarschrift te kunnen motiveren. Dezerzijds bestaat de bereidheid ruimhartig met het verstrekken van gegevens om te gaan, mits u aan het vorenstaande heeft voldaan (en kunt specificeren om welke gegevens het gaat). Het is niet zo dat op verzoek alle met name genoemde (en algemene) gegevens zonder...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT