Hoger beroep kort geding van Centrale Raad van Beroep, 12 augustus 2004

Datum uitspraak:12 augustus 2004
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Het plichtsverzuim van gedaagde is als zodanig ernstig aan te merken, dat de sanctie van onvoorwaardelijk strafontslag daaraan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet onevenredig is.

 
GRATIS UITTREKSEL

04/3164 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

  1. INLEIDING

    Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2004, nrs. 04/247 AW en 04/1733 AW, waarbij de beslissing op bezwaar van verzoeker tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag aan gedaagde is vernietigd. Tevens is de voorzieningenrechter verzocht met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst totdat op het hoger beroep zal zijn beslist. Desgevraagd is door verzoeker een nader stuk ingezonden.

    Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 augustus 2004, waar verzoeker zich heeft

    laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door

    mr. A.E.M. Rˆttgering, advocaat te Amsterdam.

  2. MOTIVERING

    1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

      1.1. Gedaagde was in dienst van de politieregio Amsterdam-Amstelland en laatstelijk werkzaam in de rang van brigadier. Bij besluit van 15 december 2004 is gedaagde wegens ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het herhaaldelijk in bezit hebben en gebruiken van verdovende middelen, het verstrekken van drugs aan collega [collega], het hebben van contacten met drugsdealers en het vermengen van privÈ- en professionele activiteiten,

      met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Verzoeker heeft dit besluit, na namens gedaagde gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 22 april 2004.

    2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij niet tot de overtuiging heeft kunnen komen dat gedaagde aan collega [collega] een verboden vorm van XTC heeft verstrekt en dat hij privÈcontact heeft gehad met drugsdealers. Voorts heeft zij overwogen dat het mogelijke gebruik en voorhanden hebben van GHB in 2001 geen strafbaar feit...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT