Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Amsterdam, 16 juli 1998

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:16 juli 1998
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL

datum uitspraak: 16 juli 1998

op tegenspraak

+-----------+

VONNIS

+-----------+

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, economische meervoudige kamer extra, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wo-nende te [woonplaats], [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 juni 1998, 5 juni 1998, 8 juni 1998, 10 juni 1998, 12 juni 1998, 15 juni 1998, 16 juni 1998, 17 juni 1998, 19 juni 1998, 23 juni 1998, 26 juni 1998 en 3 juli 1998.

  1. Telastelegging.

    Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht.

    De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

  2. Voorvragen.

    2.1.

    De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

    De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat door de deskun-dige Panjer de schijn van partijdigheid is opgewekt.

    De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

    Weliswaar is gebleken dat in het voorstadium inhoudelijk contact is geweest tussen de deskundige Panjer en de opsporingsambtenaar, maar uit hetgeen uit de stukken en ter te-rechtzitting omtrent dit contact is gebleken en uit hetgeen door Panjer daaromtrent ter terecht-zitting is verklaard, is de rechtbank van oordeel dat er geen grond aanwezig is voor de conclu-sie dat sprake is van schijn van partijdigheid, zodat reeds hierom dit niet kan leiden tot niet ontvankelijk-heid van het openbaar ministerie.

    Overigens is de rechtbank wel van oordeel dat dergelijke contacten tussen de opsporingsambtenaar en Panjer dienen te lopen via de rechter-commissaris, door wie immers de deskundige toen reeds was benoemd in de zaak van vijf van de verdach-ten.

    2.2.

    Voorts heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard nu willekeurig en in strijd met het beginsel van rechtsgelijkheid is gehandeld.

    Ter toelichting heeft hij aangevoerd dat [verdachte] aan dezelfde criteria voldoet als [betrokkene 1], wiens zaak is geseponeerd.

    De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

    Uitgangspunt bij beantwoording van de vraag of het openbaar ministerie willekeurig tot vervolging van verdachte is overgegaan, is naar het oordeel van de rechtbank dat onder de gege-ven omstandigheden terughoudendheid op zijn plaats is. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot de vervolgings-beslis-sing in de zaak van verdachte had kunnen komen, is er voor een ingrij-pen aanleiding.

    Wat er ook zij van de door het openbaar ministerie aangevoerde gronden om af te zien van de verdere vervolging van [betrokkene 1], uit de stukken en uit de behandeling ter terechtzit-ting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van evidente verschillen tussen de zaak [betrokkene 1] enerzijds en de onderhavige zaak anderzijds. In de zaak van [betrokkene 1] is sprake van een combinatie van factoren, die, aldus het openbaar ministerie, het tot het oordeel heeft gebracht [betrokkene 1] niet langer te vervolgen. De rechtbank kan uit het dossier op geen enkele wijze afleiden dat op verdachte een dergelijke combinatie van factoren van toepassin-g is. Alleen al niet nu [betrokkene 1] als enige zijn bedrijf aan Bols-Wessanen heeft verkocht en aldus - althans volgens het Open-baar Ministe-rie - een bijzondere inte-resse in het bedrijf heeft gehou-den.

    De enkele omstandigheid dat [betrokkene 1] en verdachte beiden vermo-gend zijn, maakt nog niet dat sprake is van vergelijkbare geval-len, hetgeen eveneens geldt voor het feit dat beiden eerder op de beurs hebben geopereerd en openheid van zaken hebben gegeven omtrent de transacties.

    Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat het Open-baar Ministe-rie in redelijk-heid niet tot de beslis-sing heeft kunnen komen verdachte te vervolgen.

  3. Waardering van het bewijsmateriaal.

    De rechtbank zal hierna eerst onder 3.1. tot en met 3.4. een algeme-ne beschouwing geven, welke betrekking heeft op de strafzaken tegen alle verdachten in de zogenoemde BolsWessanenzaak.

    3.1. De verdenking en het opsporingsonderzoek.

    Op 4 juli 1995 om 09.30 uur heeft de Raad van Bestuur van Koninklijke BolsWessanen N.V. (hierna te noemen: BSW) een

    - niet tevoren aangekondigde - zogenoemde "profit warning" doen uitgaan in de vorm van een persbericht. De eerste alinea van dat persbericht luidt als volgt:

    "De Raad van Bestuur van Koninklijke BolsWessanen nv deelt mede, dat naar nu wordt verwacht de resultaten uit gewone bedrijfsuitoefening over het eerste halfjaar ongeveer 20% lager zullen uitkomen dan in 1994. Waar begin maart de verwachting werd uitgesproken, dat het resultaat over geheel 1995 10 - 15% lager zou zijn dan over 1994 dient nu ook over geheel 1995 rekening te worden gehouden met een mogelijke winstdaling van circa 20%."

    Na het verschijnen van dit persbericht is door de afdeling Compliance van de Vereniging European Options Exchange (EOE) een onderzoek ingesteld. Reden: het ongebruikelijk grote aantal van 3.593 putop-ties BSW dat op 3 juli 1995 is verhandeld. Immers: de gemid-delde dagomzet in 1995 bedroeg 932 contracten, waarvan 413 putopties. Het onderzoek heeft zich uitgestrekt over de periode van 21 juni 1995 tot en met 4 juli 1995. Daaruit is een aantal transac-ties naar voren gekomen waarbij het vermoeden van misbruik van voorwe-tenschap werd uitgespro-ken. Daaronder bevonden zich onder meer transacties zoals die door het openbaar ministerie zijn telastegelegd aan de verdachten in de zogenoemde "BolsWessanenzaak".

    Op 7 augustus 1995 heeft de EOE terzake aangifte gedaan bij het openbaar ministerie te Amsterdam. Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 20 maart 1995 (de rechtbank leest: 20 maart 1996) de Economi-sche Contro-ledienst opdracht gegeven een nader onderzoek in te stellen.

    Tevens heeft het Controlebureau van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) een onderzoek ingesteld met betrekking tot transacties in relatie tot het fonds BSW in de periode van 19 juni 1995 tot en met 3 juli 1995. Het betrof daarbij de volgende transacties:

    - verkooptransacties van 500 certificaten BSW of meer;

    -...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT