Voorlopige voorziening+bodemzaak van Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 maart 2000

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:30 maart 2000
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL

BELASTINGKAMER

Nrs. 00/00130 en 00/00131

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van de President van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op na te melden verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb van mevrouw B. te A. (hierna: belanghebbende), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

  1. Ontstaan en loop van het geding

    Met dagtekening 9 november 1999 heeft het aan de eenheid ondernemingen te Enschede van de rijksbelastingdienst verbonden Landelijk punt uitvoering heffing Ziekenfondswet voor zelfstandigen - naar de President begrijpt namens het Hoofd van de eenheid ondernemingen te Z. van die dienst (beiden hierna aan te duiden als: de Inspecteur) - aan belanghebbende een brief gezonden waarvan de zakelijke inhoud, voor zover te dezen van belang, luidt als volgt:

    "Verklaring verplichte ziekenfondsverzekering zelfstandigen

    Op 1 januari 2000 verandert de Ziekenfondswet. Als gevolg hiervan zullen sommige ondernemers vanaf die datum verplicht ziekenfondsverzekerd zijn, als zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. De toetsing van de voorwaarden gebeurt door de Belastingdienst.

    VERKLARING

    Uit onze gegevens per 1 oktober 1999 is gebleken dat u als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000.

    (...)

    Bent u momenteel particulier verzekerd? Zeg dan de verzekering per 1 januari 2000 op en meld u aan bij een ziekenfonds. (...)

    Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met de beschikking, moet u binnen zes weken na de dagtekening ervan een bezwaarschrift sturen naar de Belastingdienst. (...)".

    Belanghebbende heeft tegen de in deze brief vervatte verklaring op 8 december 1999 bezwaar gemaakt bij de Inspecteur.

    Tevens heeft zij bij schrijven van 8 december 1999, door de President ontvangen op 14 december 1999, verzocht met betrekking tot deze verklaring een voorlopige voorziening te treffen, hierin bestaande dat de werking van deze verklaring met onmiddellijke ingang wordt geschorst totdat op het door haar tegen deze verklaring gemaakte bezwaar is beslist.

    Naar aanleiding van dit verzoek heeft de President, uit overweging dat de Inspecteur op 9 november 1999 (nog) niet bevoegd was tot het verstrekken van verklaringen als de onderhavige, bij uitspraak van 28 december 1999, nr. 99/30541, de werking van de vorenvermelde verklaring van 9 november 1999 geschorst.

    Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen de verklaring van 9 november 1999 gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur, uit overweging dat deze verklaring voortijdig is afgegeven, bij uitspraak van 18 januari 2000 de verklaring van 9 november 1999 herroepen en heeft hij in plaats daarvan aan belanghebbende een nieuwe verklaring verstrekt welke luidt als volgt:

    "Verklaring

    Uit onze gegevens per 1 oktober 1999 is gebleken dat u als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000.".

    Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 15 februari 2000 beroep ingesteld bij het Hof.

    Tevens heeft belanghebbende bij schrijven van 14 februari 2000, bij de President ingekomen op 15 februari 2000, op de voet van het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb verzocht met betrekking tot deze uitspraak een voorlopige voorziening te treffen, hierin bestaande dat de werking van deze uitspraak met onmiddellijke ingang wordt geschorst totdat door het Hof uitspraak is gedaan in de bodemprocedure, dan wel een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de President in goede justitie zal vermenen te behoren. Ter zake van dit verzoek heeft de Griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 60,=.

    De Inspecteur heeft met dagtekening 24 februari 2000 een verweerschrift ingezonden.

    De mondelinge behandeling van het verzoek heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van 29 februari 2000 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

    In de uitnodiging voor deze zitting is wèl uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 8:86, tweede lid, van de Awb, doch niet aan het bepaalde in artikel 27h, laatste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze wet met ingang van 1 september 1999 luidt (hierna: de Algemene wet).

    Beide partijen hebben ter zitting uitdrukkelijk toestemming gegeven tot het op overeen-komstige wijze toepassen van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, ook nadat de President hen een en andermaal nadrukkelijk had gewezen op het niet nageleefd zijn van het bepaalde in artikel 27h, laatste volzin, van de Algemene wet.

  2. Vaststaande feiten

    Belanghebbende oefent zelfstandig een vrij beroep uit.

    Op 1 oktober 1999 bedroeg het vastgestelde belastbare inkomen (het in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bedoelde inkomen) van belanghebbende over de jaren 1995, 1996 en 1997 onderscheidenlijk fl. 24.956,=, fl. 17.256,= en fl. 20.395,=.

    Belanghebbende is verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: de Waz).

    Belanghebbende is particulier verzekerd tegen ziektekosten tegen een premie welke, met inbegrip van de wettelijke bijdragen ingevolge de Wet MOOZ en de WTV, voor het jaar 2000 fl. 2.940,= in totaal bedraagt. Belanghebbendes echtgenoot ontvangt van zijn werkgever een bijdrage in deze premie van fl. 1.200,=.

  3. Gronden van het verzoek

    Belanghebbende heeft, kort en zakelijk samengevat, de volgende grieven aangevoerd:

    3.1. De Inspecteur had de nieuwe verklaring van 18 januari 2000 conform het voorschrift van artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet, zoals deze wet met ingang van 1 januari 2000 luidt (hierna: de Ziekenfondswet) moeten neerleggen in een voor bezwaar vatbare beschikking.

    3.2. Uit de parlementaire behandeling van de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 461, houdende uitbreiding van de kring van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet met zelfstandigen voor wie, gelet op hun inkomen, toegang tot de sociale ziektekostenverzekering is aangewezen en tijdelijke wijziging van de indexering van de loongrens alsmede wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Zelfstandigen in Zfw) (hierna: de Wet) volgt onmiskenbaar dat verklaringen als de onderhavige vóór 1 november van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop zij betrekking hebben, dienen te worden verstrekt. De nieuwe, op het jaar 2000 betrekking hebbende verklaring is echter eerst op 18 januari 2000 verstrekt.

    3.3. De uitspraak van de Inspecteur is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb nu (1) niet wordt vermeld op welke artikelen van de Ziekenfondswet en van de op artikel 3d, vierde lid, laatste volzin, van de Ziekenfondswet gebaseerde Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen (Stcrt. 1999, 248) (hierna: de Regeling) deze is gebaseerd, (2) de uitspraak onvermeld laat op grond van welke belastbare inkomens de verzekeringsplicht van belanghebbende is vastgesteld en (3) hoewel belanghebbende niet is gehoord, nergens wordt vermeld op grond waarvan dat niet is gebeurd.

    3.4. en 3.5. De Regeling - en daarmede ook de uitspraak van de Inspecteur - is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel nu op grond van de Regeling voor het al dan niet gedurende het jaar 2000 verzekerd zijn ingevolge de Ziekenfondswet de hoogte van de belastbare inkomens over de jaren 1995 tot en met 1997 beslissend is en de hoogte van die inkomens thans niet meer kan worden beïnvloed. Een zelfstandige kan de hoogte van zijn belastbaar inkomen in hoge mate beïnvloeden, enerzijds door al dan niet gebruik te maken van allerlei fiscale mogelijkheden, anderzijds door al dan niet meer inspanningen te verrichten om extra opdrachten te verwerven of extra producten te verkopen. Bij de keuze om al dan niet gebruik te maken van deze mogelijkheden, ja zelfs bij de keuze om al dan niet zelfstandig ondernemer te worden, laat de zelfstandige zich leiden door de wettelijke regels die op dat moment gelden. Door de verzekeringsplicht te verbinden aan het belastbare inkomen over een periode in het verleden worden met terugwerkende kracht rechtsgevolgen verbonden aan beslissingen die de zelfstandige heeft genomen zonder dat hij ten tijde van het nemen van die beslissingen op de hoogte was van die gevolgen.

    Belanghebbende heeft in de jaren 1995, 1996 en 1997 gedoteerd aan de fiscale oudedags-reserve en een lijfrente gekocht voor een bedrag van fl. 10.000,=. Voorts heeft zij een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten en aanzienlijke bedragen in haar onderneming geïnvesteerd, welke investeringen zij vervroegd heeft afgeschreven. Gelet op dit een en ander had...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT