Cassatie van Gerechtshof Arnhem, 8 mei 2001

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 8 mei 2001
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem
 
GRATIS UITTREKSEL

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 99/03155

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] BV te [Z], (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen [P], op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting 1992.

  1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

    1.1. De aanslag is, onder nummer [01] en met dagtekening 15 mei 1996, in afwijking van de door belanghebbende ingediende aangifte berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 50.000.

    1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag op 6 juni 1996 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak van 30 augustus 1996 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

    1.3. Belanghebbende is van bovengenoemde uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat die uitspraak heeft bevestigd.

    1.4. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 29 september 1999, nr. 34.821 (hierna: het arrest) de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest. Onder meer na een verwijzing naar een brief van 19 juli 1996 van belanghebbendes advocaat aan de Inspecteur - voor zover van belang inhoudende: "Hierbij zou sprake zijn van een inbreng van een eenmanszaak in de B.V. van clinte, welk standpunt door mevrouw [X-A], uitdrukkelijk wordt bestreden" - heeft de Hoge Raad in dat arrest geoordeeld dat het Gerechtshof Leeuwarden aan de in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde motiveringseis een te strenge uitleg heeft gegeven.

    1.5. Belanghebbende heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van het arrest een memorie ingediend. De Inspecteur heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, op de inhoud van die memorie gereageerd.

    1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2001 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [X-A], directrice van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Ter zitting is gelijktijdig met het onderhavige beroepschrift tevens behandeld het beroepschrift van belanghebbende met betrekking tot de aan haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 1993, hofkenmerk 99/03154. Hetgeen ter zitting is opgemerkt wordt geacht op beide zaken betrekking te hebben.

  2. Feiten

    2.1. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

    2.2. Belanghebbende is opgericht op 28 september 1992 door [X-A] te [Z]. Van het maatschappelijke kapitaal van 100 aandelen ƒ 1.000 zijn bij oprichting 40 aandelen, het gehele geplaatste kapitaal, geplaatst bij [X-A]. Tot de stukken van het geding behoort een akte van overdracht van aandelen van 1 oktober 1992 waarbij [X-A] 39 van de bij haar geplaatste aandelen in belanghebbende heeft verkocht aan [B], wonende te [Q], Polen.

    2.3. Op 25 november 1993 heeft belanghebbende aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting over het jaar 1992. In die aangifte is een belastbare winst vermeld van negatief ƒ 2.792, en een belastbaar bedrag van "NIHIL". In een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT