Cassatie van Raad van State, 20 juni 2001

Datum uitspraak:20 juni 2001
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

Raad

van State

200002262/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2001.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging Boekelo, dorp met karakter en anderen, gevestigd te Boekelo,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

  1. Procesverloop

    Bij besluit van 18 oktober 1999, nr. VII-F5 heeft de gemeenteraad van Enschede, op voorstel van burgemeester en wethouders van 28 september 1999, vastgesteld het bestemmingsplan "De Groote Plooy".

    Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

    Verweerders hebben bij hun besluit van 7 maart 2000, RWB/1999/4267, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

    Het besluit van verweerders is aangehecht.

    Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 8 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2000, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

    Bij brief van 20 oktober 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2001, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.D. Boesveld, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman en mr. J.A.M. Hendrikx zijn verschenen. Namens de gemeenteraad van Enschede is mr. dr. E. Helder, wethouder, en namens de Koninklijke Grolsch N.V. zijn mr. J.Th.P.M. Troch en mr. P.H.K. Ruding aldaar gehoord.

    De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 maart 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Met instemming van partijen is van een tweede zitting afgezien.

  2. Overwegingen

    2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

    Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vÛÛr 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vÛÛr die datum geldende recht.

    2.2. Het plan voorziet in de hervestiging van de bierbrouwerij van de Koninklijke Grolsch NV op een locatie gelegen langs de rijksweg A35 tegenover het bestaande industrieterrein "De Marssteden" ter vervanging van de twee bestaande vestigingen in Enschede en Groenlo.

    2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of de gemeenteraad de bij het plan aangewezen bestemmingen en gegeven voorschriften uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid nodig heeft kunnen achten. Daarnaast hebben zij er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

    2.4. Appellanten kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen. Appellanten voeren allereerst als formeel bezwaar aan dat het besluit van verweerders door het gemeentebestuur te vroeg ter inzage is gelegd.

    2.4.1. Ingevolge artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt, voorzover hier van belang, behoudens indien toepassing wordt gegeven aan artikel 29, eerste lid, met ingang van de zesde week na de bekendmaking aan de gemeenteraad het besluit van gedeputeerde staten met het bestemmingsplan voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. In de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 1996, no. E01.94.0220 (AB 1996, 130) is geoordeeld dat in artikel 28, zesde lid, wordt voorgeschreven dat, behoudens de in deze bepaling genoemde uitzondering, de terinzageligging plaatsvindt op de eerste reguliere werkdag van de zesde kalenderweek na de bekendmaking.

    2.4.2. De bekendmaking bedoeld in artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft in dit geval plaatsgevonden op 16 maart 2000. Gelet hierop had in dit geval de terinzageligging moeten plaatsvinden vanaf 24 april 2000. Het bestreden besluit is echter blijkens onder meer de kennisgeving in de Staatscourant van 30 maart 2000 al ter inzage gelegd op 31 maart 2000.

    De constatering van appellanten dat, gelet op artikel 28, zesde lid, het bestreden besluit te vroeg ter inzage is gelegd, is derhalve juist.

    2.4.3. De Afdeling heeft onder meer in haar...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT