Cassatie van Hoge Raad, 22 augustus 2006

Datum uitspraak:22 augustus 2006
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Rechtsdwaling. HR verwerpt cassatieberoep daartoe verwijzend naar conclusie A-G, inhoudende: Voor het slagen van een beroep op AVAS wegens dwaling t.a.v. de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid t.a.v. de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (HR NJ 1995, 631). Daarvan kan... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

22 augustus 2006

Strafkamer

nr. 01847/05

ABG/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 februari 2005, nummer 20/001820-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 12 februari 2004 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij aan de verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven" veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof het verweer dat geen sprake was van 'aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig handelen' ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. Het middel faalt op de gronden zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder de nummers 4.2 tot en met 4.11.

4. Beoordeling van het eerste en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 22 augustus 2006.

Nr. 01847/05

Mr Machielse

Zitting 23 mei 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft de verdachte op 17 februari 2005 ter zake van subsidiair "aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven" veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot 150 uren taakstraf, subsidiair 75 dagen hechtenis.

2. Mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden heeft toegewezen.

3.2 Aan verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 16 augustus 2002 te Mechelen, gemeente Gulpen-Wittem, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig als exploitant van het zwembad van buitenplaats [A] niet heeft zorggedragen voor voldoende toezicht in dat zwembad, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum] 1993 en/of [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum] 1995, in voornoemd zwembad zijn verdronken;"

3.3 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2004 heeft de Advocaat-Generaal medegedeeld dat naar haar oordeel de tenlastelegging behoorde te worden gewijzigd. De op die zitting overgelegde wijziging tenlastelegging houdt, voorzover hier van belang, in dat de Advocaat-Generaal het noodzakelijk acht dat - naast voormeld feit - aan verdachte subsidiair het volgende wordt tenlastegelegd:

"Op of omstreeks 16 augustus 2002 te Mechelen, gemeente Gulpen-Wittem, de besloten vennootschap: [B] B.V. en/of de besloten vennootschap: [C] B.V. grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig (optredend) als exploitant van het zwembad van buitenplaats [A] niet heeft zorggedragen voor voldoende toezicht in dat zwembad, waardoor het aan hun/haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum] 1993 en/of [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum] 1995, in voornoemd zwembad zijn verdronken, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;"

3.4 Tegen die gevorderde wijziging heeft de raadsman van verdachte het volgende aangevoerd:

"Wijziging tenlastelegging op grond van art. 313 Sv

Zoals bekend moet het gaan om een wijziging die past binnen de grenzen van art. 68 Sr; het moet anders gezegd wel hetzelfde feit (zoals in die bepaling bedoeld) gaan.

Op basis van een stroom jurisprudentie (Emmense bromfietser; Joyriding arresten, Tjoelker NJ 2000, 174), kunnen we het volgende zeggen:

Er moet sprake zijn van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte dat de wijziging toelaatbaar is. Daarbij is niet per se nodig is dat de strekking van de verschillende delictsomschrijvingen dezelfde is, maar ze mogen ook weer niet wezenlijk verschillen.

Het gaat dus om de gelijktijdigheid van gedraging, gelijksoortigheid van strekking bepalingen (niet wezenlijk verschillend) en gelijksoortigheid van verwijt.

Voor deze zaak is specifiek van belang de gelijksoortigheid van het verwijt

In de eerste (beoogd primaire) tenlastelegging gaat het om cl. als privepersoon, optredend als exploitant; het gaat dan dus om de aansprakelijkheid in de hoedanigheid van prive-persoon, en wel om een rechtstreeks gemaakt verwijt en rechtstreeks daderschap voor eigen handelen of nalaten.

Na de wijziging gaat het in het beoogd subsidiair gedeelte om iets heel anders: te weten het feitelijk leidinggeven. Dat is een heel ander soort aansprakelijkheid en wel een afgeleide aansprakelijkheid.

Het gaat immers in eerste instantie om het daderschap van de rechtspersoon; dat is toch de eerste voorwaarde voor het feitelijk leidinggeven: de strafbaarheid van de rechtspersoon wordt bepaald aan de hand van het toerekenen van gedrag van natuurlijk personen aan de rechtspersoon (zie uitspraak HR 21 oktober 2003). Geen rechtstreeks daderschap van de rechtspersoon dus.

Vervolgens wordt gekeken of de feitelijk leidinggever in zijn hoedanigheid als leidinggevende tekort is geschoten bij het aansturen van gedragingen van de rechtspersoon (en wel via de criteria zoals ontwikkeld in de Slaveburgbeschikkingen).

In deze aansprakelijkheidsconstructie zit een dubbele toerekening van gedragingen/nalaten: eerst de toerekening van de gedraging/nalaten aan de rechtspersoon en vervolgens via de feitelijk leidinggeven constructie aan verdachte.

Het gaat in de eerste tenlastelegging situatie derhalve over een verwijt ten aanzien van het eigen handelen of nalaten en in de gewijzigde tenlastelegging om een verwijt in de sfeer van het aansturen van een organisatie, die heeft gehandeld of nagelaten. Dat is iets wezenlijks anders

Naar het oordeel van de verdediging hebben we hier uit de aard van de zaak niet meer te maken met een gelijksoortig verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt. En daarom is de voorgestelde wijziging niet toelaatbaar; zij past immers niet meer binnen de grenzen van art. 68 Sr zoals uitgelegd door de Hoge Raad.

Daar komt bij dat in de feitelijk leiding geven variant, en passant even de strafbaarheid van het handelen van de rechtspersoon waar cl. bij betrokken is, wordt aangenomen en verondersteld; de rechtspersoon wordt derhalve gecriminaliseerd.

We kunnen dus niet zomaar volhouden dat het hier gaat om een wijziging die binnen de in de wet gegeven grenzen mogelijk is. Daarvoor verschillen de hoedanigheid van de terecht staande persoon (en daarmee het gemaakte verwijt) te veel.

Conclusie: de gevorderde wijzing is niet toelaatbaar."

3.5 Het proces-verbaal van voormelde zitting houdt in dat het Hof aangaande de vordering wijziging tenlastelegging het volgende heeft overwogen:

Naar oordeel van het hof levert de wijziging van de tenlastelegging geen ander feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht op. Verdachte wordt na de wijziging op een andere manier, namelijk als feitelijk leidinggevende, aangesproken, maar het feitencomplex dat verweten wordt is woordelijk hetzelfde.

Het hof wijst de vordering van de advocaat-generaal toe en beslist dat de tenlastelegging wordt gewijzigd als in de vordering, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd, omschreven."

3.6. Ingevolge art. 313, eerste lid, Sv jo art. 415 Sv is ook de Advocaat-Generaal in hoger beroep bevoegd een wijziging van de tenlastelegging te vorderen. De rechter dient op die vordering...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT