Hoger beroep van Gerechtshof 's-Gravenhage, 20 december 2005

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:20 december 2005
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Volmacht voor bankrekening. Broer krijgt volmacht van zus om geld van haar bankrekening op te nemen. De zus deelt de bank, maar niet de broer, mede dat zij de volmacht intrekt. Daarna neemt de broer nog bedragen van de bankrekening op. De bank stelt de zus schadeloos en vordert de bedragen van de broer terug op grond van onverschuldigde betaling. Het hof oordeelt op basis van technisch-juridische ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

Uitspraak: 20 december 2005

Rolnummer: 04/975

Rolnr. rechtbank: 03/1455

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, tweede civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in het principaal appel/geÔntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: ABN AMRO,

procureur: mr. R. van Kessel,

tegen

[de broer],

wonende te Rijswijk,

geÔntimeerde in het principaal appel/appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [de broer],

procureur: mr. H.J.R. Reinders.

Het geding

Bij exploot van 30 juni 2004 is ABN AMRO in hoger beroep gekomen van het vonnis van 31 maart 2004 door de rechtbank 's-Gravenhage gewezen tussen ABN AMRO als eiseres en [de broer] als gedaagde. Bij de appeldagvaarding heeft ABN AMRO twee grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door [de broer] zijn bestreden bij memorie van antwoord, die tevens een grief in incidenteel appel bevat, welke door ABN AMRO is bestreden bij memorie van antwoord in het incidenteel appel.

Partijen hebben hun standpunten door hun procureurs doen bepleiten ter zitting van dit hof van 29 november 2005. De pleitnota's bevinden zich bij de stukken.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 3 oktober 1994 heeft [de zus van geÔntimeerde] (hierna: [de zus]) schriftelijk, op een daartoe bestemd formulier van (de rechtsvoorgangsters van) ABN AMRO, aan haar broer, [de broer], volmacht gegeven om geld op te nemen van haar, [de zus]s, privÈ-rekening bij die bank met nummer 42.47.59.551. Het formulier is voorzien van de handtekeningen van [de zus] en [de broer]. Volgens ABN AMRO heeft [de zus] bij faxbericht van 2 december 2001 aan ABN AMRO, door deze ontvangen op 3 december 2001, bericht de volmacht aan [de broer] volledig in te trekken. In maart 2002 heeft [de broer] van genoemde rekening van [de zus] € 59.000,- opgenomen en in april 2002 nog eens € 355,-. Vaststaat dat [de zus] voor of ten tijde van deze opnames [de broer] niet heeft medegedeeld dat zij de volmacht herriep/introk. Eveneens staat vast dat, in elk geval vÛÛr de opname van het bedrag € 355,-, ABN AMRO [de broer] niet heeft medegedeeld dat [de zus] haar, ABN AMRO, had bericht dat zij de volmacht introk. ABN AMRO heeft [de zus] later schadeloos gesteld door rechtstreeks aan haar het bedrag van € 59.355,- onvoorwaardelijk uit te betalen. ABN AMRO gaat er, op basis van een e-mail van [de zus] d.d. 6 januari 2004, van uit dat [de zus] niets heeft ontvangen van het aan [de broer] uitbetaalde bedrag, ook niet middels verrekening. [de broer] voert aan dat hij het grootste deel van het door hem opgenomen bedrag van € 59.355,- heeft afgedragen aan [de zus] en de rest heeft verrekend met vorderingen die hij nog op haar had.

2. Stellende dat zij het bedrag van € 59.355,- zonder rechtsgrond aan [de broer] heeft betaald omdat de aan deze verleende volmacht door de fax van [de zus] van 2 december 2001 was ingetrokken, vordert ABN AMRO, op grond van onverschuldigde betaling, veroordeling van [de broer] om dat bedrag aan haar te betalen, met wettelijke rente, administratiekosten en buitengerechtelijke incassokosten. [de broer] heeft hiertegen ingebracht primair dat de volmacht uitsluitend had kunnen worden ingetrokken door een daartoe strekkende mededeling van [de zus] aan hem, hetgeen niet is gebeurd, en subsidiair dat niet is bewezen dat de intrekking jegens ABN AMRO daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

3. In haar vonnis van 31 maart 2004 heeft de rechtbank - na bewijsvoering door ABN AMRO op basis van een tussenvonnis van 26 november 2003 - overwogen dat:

a) een herroeping van een aan een derde verleende machtiging om over een bankrekening te beschikken ook kan plaatsvinden door een dienovereenkomstige verklaring van de oorspronkelijke volmachtgever aan de bank en dat de andersluidende opvatting van [de broer], dat de herroeping, om effect te hebben, aan de gevolmachtigde gericht moet zijn, dus niet wordt gevolgd;

b) niet bewezen is dat ABN AMRO vÛÛr de door [de broer] gedane opnames een tot haar gerichte intrekking van de volmacht heeft ontvangen.

Op grond van overweging b) heeft de rechtbank de vordering van ABN AMRO afgewezen.

4. Van dit vonnis is ABN AMRO tijdig in hoger beroep gekomen. Haar grieven in het principaal appel richten zich tegen overweging b) van de rechtbank. In de visie van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT