Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, December 20, 2006

Datum uitspraak:2006/12/20
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

WAO-aanvraag afgewezen. Reïntegratie activiteiten werkgever onvoldoende. Loonsanctie opgelegd aan werkgever.

 
GRATIS UITTREKSEL

05/4834 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 juli 2005, 04/5051

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 december 2006

  1. PROCESVERLOOP

    Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

    Namens betrokkene heeft mr. W.J. Vroegindeweij, advocaat te Katwijk aan Zee, een verweerschrift ingediend.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

    mr. M.M. de Boer-Veerman. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.

    Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

    Nadat partijen toestemming hadden gegeven, heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

  2. OVERWEGINGEN

    Betrokkene, werkzaam als verkoopmedewerker bij een supermarkt, heeft zich per 12 mei 2003 ziek gemeld. Op 15 april 2004 heeft appellant van betrokkene een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO) met daarbij gevoegd een re-integratieverslag ontvangen. Een arbeidsdeskundige heeft de re-integratieactiviteiten van de werkgever beoordeeld en die onvoldoende bevonden. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 18 mei 2004 aan de werkgever met toepassing van artikel 71a, negende lid, van de WAO over de periode van 10 mei 2004 tot en met 10 november 2004 een loondoorbetalingsverplichting opgelegd. Bij besluit van eveneens 18 mei 2004 heeft appellant de WAO-aanvraag van betrokkene afgewezen.

    De werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen de loonsanctie. Bij besluit van 18 oktober 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft appellant overwogen dat het Uwv het WAO-aanvraagformulier te laat aan betrokkene had verzonden, waardoor de aanvraag te laat, maar gelet op het bepaalde in artikel 34, vijfde lid, van de WAO toch nog tijdig was ingediend. Appellant heeft het besluit van 18 mei 2004 herroepen, omdat de loonsanctie na het einde van de wachttijd van 52 weken (9 mei 2004) was opgelegd.

    Namens...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT