Herziening van Rechtbank Middelburg, 24 maart 2006

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:24 maart 2006
Uitgevende instantie::Rechtbank Middelburg
SAMENVATTING

Verzoek om herziening

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

____________________________________________

UITSPRAAK

met toepassing van artikel 8:54, eerste lid,

van de Algemene wet bestuursrecht

_____________________________________________

Reg.nr.: Awb 05/1407

Inzake: [verzoeker], wonende te Ouddorp, verzoeker,

tegen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

  1. Procesverloop

    Bij uitspraak van 2 maart 1995 heeft de rechtbank de beroepen van verzoeker tegen de besluiten van het bestuur der Nieuwe IndustriÎle Bedrijfsvereniging (thans: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) van 19 oktober 1993 (AAW/WAO 93/732) en 19 april 1994 (AAW/WAO 94/432) ongegrond verklaard.

    Verzoeker heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld, zodat genoemde uitspraak na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn onherroepelijk is geworden.

    Bij verzoekschrift van 12 maart 2002 heeft verzoeker om herziening van de uitspraak van 2 maart 1995 verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

    Verzoeker heeft op 15 december 2005 opnieuw een verzoek tot herziening ingediend.

  2. Overwegingen

    1. De aanleiding voor het herzieningsverzoek is de klacht van verzoeker tegen de orthopedisch chirurg E.T. Schuijt, die in 1994 door de rechtbank als deskundige werd aangewezen. Volgens verzoeker heeft de op deze klacht gevolgde tuchtrechtelijke procedure - de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege Den Haag (beslissing van 12 oktober 2004) en bij het Centraal Tuchtcollege (beslissing van 10 november 2005) - nieuwe gegevens opgeleverd die een wezenlijk andere kijk geven op de gegevens zoals die ten tijde van de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995 bekend waren.

    2. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

    3. Ingevolge 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

      1. hebben plaatsgevonden vÛÛr de uitspraak,

      2. bij de indiener van het verzoekschrift vÛÛr de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

      3. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

    4. De rechtbank stelt vast dat de procedures bij het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege plaatsvonden na de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995. Derhalve is geen sprake van nieuwe feiten en...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT