Voorlopige voorziening+bodemzaak van Gerechtshof 's-Gravenhage, 25 september 2007

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:25 september 2007
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

De Inspecteur is bevoegd een besluit te nemen namens de Staatssecretaris van Financien om bij belanghebbende een onderzoek in te stellen op grond van artikel 8, lid 1, van de Wet internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. De brief van 8 augustus 2006 behelst een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb en niet een feitelijke handelen. Er is geen sprake van een ingevolge de... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

Belastingkamer (voorzieningenrechter)

25 september 2007

nummers BK-07/00382 en BK-07/00383

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van belanghebben-de, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

X BV, gevestigd te Z, betreffende het hierna te noemen besluit van 8 augustus 2006 van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, namens de Staatssecretaris van FinanciÎn, alsmede op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 mei 2007, AWB 06/8849 betreffende het eerder vermelde besluit.

  1. Besluit, bezwaar en geding voor de rechtbank

    1.1. Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de Inspecteur zijn besluit medegedeeld aan belanghebbende dat hij bij haar een onderzoek zal uitvoeren naar aanleiding van een uit het buiten-land afkomstig verzoek om inlichtingen.

    1.2. De tegen de brief van 8 augustus 2006 gerichte bezwaren van belanghebbende zijn bij uitspraak op bezwaar van de Inspec-teur van 28 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

    1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar op

    9 oktober 2006 beroep bij de rechtbank ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb bij de bestreden uitspraak het beroep ongegrond verklaard en het ver-zoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

  2. Geding in hoger beroep en verzoek om voorlopige voorzie-ning

    2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof en heeft daarbij om een voorlopige voorziening verzocht. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van twee maal € 428. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening een inventarislijst toegezonden. De op deze lijst genoemde stukken vanaf nummer

    3 tot en met 31 maken reeds deel uit van de stukken van het geding voor de rechtbank. Stuk nummer 32 heeft de Inspecteur overgelegd. De stukken genummerd 1 en 2 zijn door de Inspecteur aan het Hof toegezonden in een aparte gesloten enveloppe. Ten aanzien van de stukken 1 en 2 heeft de Inspecteur een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb en daarop een toelichting verstrekt in de begeleidende brief van 3 augustus 2007. Evenvermelde enveloppe is in gesloten toestand door de griffie bij aangetekend verzonden brief van 27 september 2007 teruggezonden aan de gemachtigde van de Inspecteur.

    2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 21 augustus 2007, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

    2.3. Ter zitting zijn tevens behandeld het verzoek om voorlopi-ge voorziening betreffende het besluit dat belanghebbende on-derkent in de brief van 14 november 2006 van de Inspecteur en het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 mei 2007, AWB 06/1336 betreffen-de het eerder vermelde besluit van 8 augustus 2006, met ken-merknummers van Hof BK-07/00383 en BK-07/00384. Hetgeen is aangevoerd en overgelegd in een van die zaken geldt tevens als aangevoerd en overgelegd in de andere zaken. Van het verhandel-de ter zitting is ÈÈn proces-verbaal opgemaakt.

  3. Vaststaande feiten

    Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvol-doende weersproken, in hoger beroep het volgende vast.

    3.1. Belanghebbende oefent de onderneming van trustkantoor uit en voert in dat verband de directie over een aantal besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Op grond van de Wet toezicht trustkantoren staat belanghebbende onder toezicht van De Nederlandsche Bank.

    3.2. Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de Inspecteur aan belanghebbende aangekondigd dat hij bij haar, alsmede bij drie andere in die brief genoemde vennootschappen waarover zij als trustkantoor de directie voert, een onderzoek zal uitvoeren betreffende, voor zover van belang, de directe belastingen naar aanleiding van een uit het buitenland afkomstig verzoek om inlichtingen. In deze brief wordt medegedeeld dat het gewenst wordt geacht dat belanghebbende de volledige administratie over de jaren 2003 tot en met 2005 ter beschikking houdt voor inza-ge. Voorts wordt in deze brief een omschrijving gegeven van hetgeen de Inspecteur verstaat onder de volledige administra-tie.

    3.3. Belanghebbende heeft in zijn brief van 14 augustus 2006 bezwaar gemaakt tegen de omstandigheid dat zij, naast drie andere vennootschappen, als trustkantoor mede deel uitmaakt van het aangekondigde onderzoek en haar gehele administratie ter inzage beschikbaar moet houden.

    3.4. In zijn uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2006 op het in 3.3 genoemde bezwaarschrift heeft de Inspecteur belangheb-bende niet-ontvankelijk verklaard met als motivering dat een besluit van de Belastingdienst om informatie te vorderen niet een voor bezwaar vastbare beschikking is en dat daartegen geen bezwaar openstaat. Verder heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende ambtshalve inhoudelijk beoordeeld en het instel-len van een onderzoek gerechtvaardigd geacht. Bij de uitspraak is een bijlage gevoegd waarin is aangegeven dat tegen de uit-spraak in beroep kan worden gegaan bij de rechtbank, sector bestuursrecht, afdeling belastingrechtspraak.

    3.5. Vervolgens heeft telefonisch contact en een briefwisseling tussen belanghebbende en de Belastingdienst plaatsgevonden.

    Op 20 september 2006 is het onderzoek bij de drie andere in de brief van 8 augustus 2006 genoemde vennootschappen aangevangen.

    3.6. Belanghebbende heeft op 9 oktober 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2006 en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan dat zij geen medewerking hoeft te verlenen aan het onderzoek.

    3.7. In de loop van het onder 3.5 vermelde onderzoek heeft de Inspecteur in zijn brief van 14 november 2006 de gemachtigde van belanghebbende, A te Z, een aantal vragen betreffende (de administratie van) belanghebbende gesteld en inzage gevraagd in het cliÎntacceptatiedossier van een bepaalde vennootschaps-structuur welk dossier bij belanghebbende in beheer is. Verder heeft de Inspecteur inzage gevraagd in documenten aangaande de identiteit van de uiteindelijke gerechtigde tot de drie ven-nootschappen die deel uitmaken van het onderzoek.

    3.8. Belanghebbende heeft op 22 november 2006 de Inspecteur medegedeeld dat de in de brief van 14 november 2006 gevraagde informatie niet zal worden verstrekt en dat bezwaar wordt ge-maakt. Tevens is het verzoek gedaan te worden gehoord op be-zwaar.

    3.9. Bij brief van 14 februari 2007 heeft belanghebbende bij de rechtbank R beroep ingesteld op grond van een fictieve weige-ring om te beslissen op het bezwaar van 22 november 2006 en een nieuw verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Het beroep en het verzoek zijn doorgezonden aan de rechtbank 's-Gravenhage.

    3.10. Bij brieven van gelijke inhoud van 4 april 2007, respec-tievelijk 13 april 2007, hebben B respectievelijk C, functiona-rissen van de Belastingdienst FIOD/ECD, kantoor R, namens de staatssecretaris van FinanciÎn aan belanghebbende medegedeeld dat de brieven van 14 augustus 2006 en 22 november 2006 mede als bezwaarschrift worden aangemerkt tegen de beslissing die door de Belastingdienst/FIOD-ECD namens de minister van Finan-ciÎn is genomen om de Inspecteur van de Belastingdienst/P een onderzoek te laten instellen bij belanghebbende. Vervolgens worden de bezwaren van belanghebbende daartegen niet-ontvankelijk verklaard.

    3.11. Belanghebbende is (nog) niet gedagvaard in een civiel kort geding om medewerking aan het onderzoek te verlenen.

  4. Omschrijving...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT