Cassatie van Hoge Raad, 14 november 2008

Datum uitspraak:14 november 2008
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Conclusie PG Deelvissers; ondernemerschap; art. 3.4 Wet IB 2001; maatschap; schepelingen ter visscherij Deze zaak stelt de vraag aan de orde of de belanghebbende - deelvisser en maat in een maatschap die het visserijbedrijf uitoefent - voor het jaar 2001 als ondernemer in de zin van art. 3.4 Wet IB 2001 kan worden aangemerkt en daarmee recht heeft op zelfstandigenaftrek ex art. 3.76 Wet IB 2001. Niet in geschil is dat (intern: in hun onderlinge verhouding) mede voor rekening en risico van de maten/deelvissers een onderneming wordt gedreven (vgl. HR 8 maart 1989, ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

Nr. 42.927

14 november 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van FinanciÎn tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 november 2005, nr. P04/03097, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

  1. Het geding in feitelijke instantie

    Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

    Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

  2. Geding in cassatie

    De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

    Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

    De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

    Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

    De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 12 december 2007 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van 's Hofs uitspraak en tot verwijzing van de zaak.

    Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

  3. Beoordeling van het middel

    3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

    3.1.1. Belanghebbende is werkzaam als deelvisser. Hij is maat in een maatschap die tot doel heeft de uitoefening van het visserijbedrijf (hierna: de maatschap).

    3.1.2. De activiteiten van de maatschap bestaan uit zogenoemde boomkorvisserij op het schip 001. Er zijn geen vissers in dienstbetrekking aan boord. Ook de eigenaar van het schip (hierna: de eigenaar) is lid van de maatschap; deze vaart niet mee.

    3.1.3. Inkopen voor de maatschap, met name brandstof, scheepsmaterialen, werkkleding voor de opvarenden en proviand, werden in het onderhavige tijdvak gedaan door de leden van de maatschap bij de In- en verkoopcoˆperatie van visserijbenodigdheden "D" B.A. (hierna: de Coˆperatie), op rekening van de eigenaar, met vermelding van de naam van degene die de artikelen kocht en van het scheepsnummer 001. De Coˆperatie factureerde aan de eigenaar onder vermelding van diens naam en klantnummer, en onder vermelding van het nummer van het schip. PrivÈaankopen van de leden van de maatschap werden door de eigenaar verrekend met het aandeel van de betrokken maat in de netto-besomming.

    3.1.4. De gevangen vis werd verkocht via de coˆperatieve visafslag E U.A. (hierna: de Visafslag).

    3.2.1. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende ondernemer was in de zin van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) en daardoor recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek. Het geschil spitste zich toe op de vraag of belanghebbende rechtstreeks werd verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming van de maatschap.

    3.2.2. Het Hof heeft vooropgesteld dat op grond van het bepaalde in de artikelen 7A:1679 tot en met 1681 BW de vennoten ieder voor een gelijk deel aansprakelijk zijn voor verplichtingen van de maatschap jegens derden (en daarmee rechtstreeks verbonden in de zin van artikel 3.4 van de Wet) indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    (I) de handeling waaruit de verplichting voortvloeit, is verricht in naam van de maatschap;

    (II) de handelende maat was bevoegd namens de maatschap met derden te handelen.

    3.2.3. Het Hof heeft geoordeeld dat aan de twee hiervoor in 3.2.2 genoemde voorwaarden werd voldaan, zodat belanghebbende rechtstreeks werd verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming van de maatschap en dientengevolge als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek. Het Hof heeft daartoe overwogen: dat onder bij de zeevisserij betrokken partijen van algemene bekendheid is dat de vissers op de schepen deel uitmaken van een maatschap, dat het nummer van het schip de functie vervult van een aan de maatschap gegeven naam, dat de contractspartijen daarvan op de hoogte zijn en dat uit de overgelegde facturen van de Coˆperatie blijkt dat de maten inkopen doen op naam van de eigenaar, onder vermelding van het nummer van het schip. Het Hof heeft aan dit een en ander de conclusie verbonden dat sprake is van een openbare maatschap die als eenheid naar buiten treedt, en dat zelfs indien geen volmacht aan de maten zou zijn verleend om namens de maatschap rechtshandelingen te verrichten, de maten dan verbonden zijn voor door een van de maten aangegane verbintenissen doordat de schijn van volmacht is gewekt, nu het bij de desbetreffende verbintenissen - de verbintenissen aangegaan jegens de Coˆperatie, de Visafslag en het Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij, volgens het Hof de enige contractspartijen van de maatschap - gaat om handelingen die tot de dagelijkse gang van zaken van de maatschap behoren.

    3.2.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, wat er ook zij van zijn hiervoor weergegeven oordeel dat sprake is van een openbare maatschap, uit de omstandigheid dat de diverse maten aankopen voor de maatschap plegen te doen bij de Coˆperatie, is af te leiden dat sprake is van een stilzwijgende afspraak binnen de maatschap dat de maten de maatschap jegens derden kunnen verbinden zodat ook op grond van deze omstandigheid aan de hiervoor in 3.2.2 genoemde tweede voorwaarde is voldaan.

    3.3. Middelonderdeel I strekt ten betoge dat geen sprake is van een openbare maatschap omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de maatschap geen naam heeft, dat het scheepsnummer niet als zodanig fungeert, dat niet op naam van de maatschap is gehandeld, dat de facturen op naam van de eigenaar zijn gesteld en de eigenaar de enige is die verbintenissen op eigen naam is aangegaan en daarvoor rechtstreeks is verbonden.

    Middelonderdeel II bestrijdt 's Hofs oordeel dat sprake is van een stilzwijgende afspraak binnen de maatschap dat ieder van de maten de maatschap jegens derden kon verbinden.

    3.4.1. De vraag of een belastingplichtige die winst uit onderneming geniet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming dient, zoals het Hof met juistheid als uitgangspunt heeft genomen, te worden beantwoord naar de regels van burgerlijk recht (vgl. HR 14 juli 2006, nr. 42125, BNB 2006/321). Voorts heeft het Hof eveneens met juistheid als uitgangspunt genomen dat indien de onderhavige maatschap 'openbaar' zou zijn, de maten in die maatschap rechtstreeks worden verbonden voor door een van de maten namens die maatschap aangegane verbintenissen.

    3.4.2. Van een 'openbare maatschap' is naar algemeen gangbare opvatting slechts sprake indien de maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam - ook wel: een door haar als zodanig gevoerde naam - aan het rechtsverkeer deelneemt (vgl. HR 5 november 1976, NJ 1977,586; zie ook het voorgestelde artikel 7:801 BW, Kamerstukken I, 2004/2005, 28 746, A).

    3.4.3. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat in het onderhavige geval van een bepaalde, als zodanig gevoerde naam waaronder aan het rechtsverkeer wordt deelgenomen geen sprake is. De vermelding op - aan de eigenaar gerichte - facturen van een bepaald scheepsnummer is onvoldoende om aan te nemen dat de desbetreffende maatschap naar buiten treedt onder een bepaalde, als zodanig gevoerde naam.

    3.4.4. Nu op grond van het hiervoor in 3.4.3 overwogene ervan moet worden uitgegaan dat de maatschap niet is aan te merken als 'openbaar', kunnen de maten van die maatschap de andere maten alleen rechtstreeks verbinden indien zij handelen namens de andere maten en daartoe door die andere maten zijn gemachtigd.

    3.4.5. De door het Hof vermelde omstandigheid dat de diverse maten aankopen voor de maatschap plachten te doen bij de Coˆperatie, kan noch op zichzelf noch in combinatie met de overige door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden 's Hofs hiervoor in 3.2.4 vermelde oordeel dragen omdat uit die omstandigheid niet blijkt dat de maten hebben gehandeld mede namens de andere maten. Daarbij is mede in aanmerking te nemen dat is gehandeld op rekening van de eigenaar zodat het niet in de rede ligt dat gehandeld is namens de maatschap respectievelijk de andere maten. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat andere omstandigheden zijn vastgesteld of aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat de maten bij het verrichten van rechtshandelingen ten behoeve van de maatschap mede namens de andere maten handelden.

    3.4.6. Het middel slaagt derhalve. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

  4. Proceskosten

    De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

  5. Beslissing

    De Hoge Raad:

    verklaart het beroep in cassatie gegrond,

    vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

    Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, E.N. Punt en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2008.

    Nr. 42 927

    mr. P.J. Wattel

    Derde Kamer A

    Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001

    Conclusie in de zaak van

    Staatssecretaris van FinanciÎn

    tegen

    X

    12 december 2007

    0 Overzicht

    Deze zaak gaat over de vraag of een deelvisser in een maatschap recht heeft op de zelfstandigenaftrek ex art. 3.76 Wet IB 2001. Daarover gaat ook de zaak met rolnr. 43302 waarin ik heden eveneens concludeer. Bij beide conclusies behoort een gemeenschappelijke bijlage die ingaat op de betekenis van de in art. 3.4 Wet IB 2001 voor fiscaal ondernemerschap geÎiste 'rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming' in het geval van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT