Eerste aanleg - enkelvoudig van Rechtbank Roermond, 13 februari 2008

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:13 februari 2008
Uitgevende instantie::Rechtbank Roermond
SAMENVATTING

Uitspraak over boeteoplegging voor overtredingen van de Arbeidstijdenwet. De rb toetst: - aan het legaliteitsbeginsel (ten tijde van de overtreding waren deze beboetbaar gesteld op grond vn de toen nog geldende EEG-Verordening nr. 3821/85 van 20 december 1985); - de bevoegdheid tot boeteoplegging door de Directeur Bedrijfsvoering, ressorterend onder de Minister van Verkeer en Waterstaat; de... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1342BESLU

Inzake : [bedrijf] Transporten B.V., eiseres,

tegen : de Minister van Verkeer en Waterstaat, namens deze, de Directeur Bedrijfsvoering, te 's Gravenhage, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 6 augustus 2007,

kenmerk: 2378

Datum van behandeling ter zitting: 24 januari 2008.

  1. PROCESVERLOOP

    Bij besluit van 26 oktober 2006, verzonden op 31 oktober 2006 heeft verweerder aan eiseres boetes opgelegd van in totaal € 56.540,00 wegens overtredingen van de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw). Het tegen dit besluit op 12 december 2006 ingediende bezwaar is door verweerder bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 6 augustus 2007 ongegrond verklaard.

    Tegen dit laatste besluit is bij deze rechtbank op 14 september 2007 beroep ingesteld.

    De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

    Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 24 januari 2008, waar namens eiseres is verschenen de heer [...] in gezelschap van zijn echtgenote en bijgestaan door mr. K. Vierhout, advocaat te Haarlem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Autar. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te brengen. Bij brief van 25 januari 2008 heeft verweerder aan de rechtbank de bedoelde informatie doen toekomen. Namens eiseres is hierop bij brief van 1 februari 2008 gereageerd, waarna beide partijen toestemming hebben verleend om op voet van het bepaalde in artikel 8:64, vijfde lid van de Awb een nadere zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

  2. OVERWEGINGEN

    Eiseres exploiteert een transportonderneming. Daarbij wordt gebruik gemaakt van vrachtauto's als bedoeld in artikel 2.1:1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: Atbv), die voorzien zijn van een controleapparaat als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985( PbEG L 370, hierna: de Verordening).

    Door de inspecteur van de Inspectie Verkeer en Waterstaat is op 3 april 2006 een bedrijfsinspectie opgestart over de periode 30 januari 2006 tot en met 26 februari 2006. Tijdens de controle zijn volgens het op 10 mei 2006 opgemaakte boeterapport 32 overtredingen geconstateerd van het Atbv. Vervolgens heeft verweerder op 31 mei 2006 aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om, op grond van de in het boeterapport geconstateerde overtredingen, een boete op te leggen van in totaal € 56.540,00. Bij brief van 21 juli 2006 is namens eiseres gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid een zienswijze in te dienen.

    Bij besluit van 26 oktober 2006, verzonden 31 oktober 2006, heeft verweerder beslist conform het voornemen. Eiseres heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om het op 12 december 2006 ingediende bezwaar tegen dit besluit ter hoorzitting van 28 maart 2007 mondeling toe te lichten.

    Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft onder verwijzing naar het boeterapport d.d. 10 mei 2006 geconcludeerd dat eiseres:

    - drie maal in strijd heeft gehandeld met artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet (Atw), juncto artikel 2.5:1, vierde lid, van het Atbv, juncto artikel 8, eerste lid, van de Verordening: het genieten van een te korte rusttijd bij een bestuurder 20 uren;

    - drie maal in strijd heeft gehandeld met artikel 5:12, tweede lid Atw, juncto artikel 2.4:4, sub a Atbv: het stellen van onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen op een controlemiddel

    - een maal in strijd heeft gehandeld met artikel 5:12, tweede lid Atw juncto artikel 2.5:6, tweede lid Atbv juncto artikel 7 van de Verordening: het verrichten van een te lange ononderbroken rijtijd > 9 uren.

    Op grond van deze overtredingen heeft verweerder een boete van in totaal € 56.540,00 opgelegd. De hoogte van de boete heeft verweerder gebaseerd op de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) (Stcrt 2007,95 hierna: de beleidsregel) die op 1 maart 2006 in werking is getreden. Het betreft hier de boetenummers B 2 5 1 (8), B 2 5 1 (7), B 2 5 1 (6), B 2 5 3 (11), B 2 4 4 (1) en B 2 5 6 (6) zoals nader is gespecificeerd in de zogenoemde boetecatalogus.

    In beroep heeft eiser - kort weergegeven de volgende gronden aangevoerd:

    - strijd met het legaliteitsbeginsel

    - onbevoegdheid verweerder

    - onbevoegdheid betrokken inspecteur

    - strijd met het lex-certa beginsel

    - strijd met het vertrouwensbeginsel

    - strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding, het recht op hoor en wederhoor en het beginsel van vooringenomenheid

    - strijd met de wet (functioneel daderschap)

    - strijd met het proportionaliteitsbeginsel,

    - strijd met het evenredigheidsbeginsel.

    De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

    Artikel 5:12, tweede lid, van de Atw luidt als volgt:

    "2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met uitzondering van arbeid verricht door defensiepersoneel, regels worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van arbeid verricht door:

    1. personen, werkzaam in of op railvoertuigen of motorrijtuigen"

    Deze bepaling vormt de grondslag voor het Atbv.

    De rechtbank verwijst voor...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT