Cassatie van Hoge Raad, March 18, 2008

Datum uitspraak:2008/03/18
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Hulp bij zelfdoding. Art. 294.2 Sr. Stichting De Einder. Klacht over het causaal verband tussen de geboden hulp en de zelfdoding. Bij de vraag of verdachte behulpzaam is geweest of middelen heeft verschaft a.b.i. art. 294.2 Sr gaat het erom of verdachte het door zijn handelen voor de ander mogelijk of gemakkelijk heeft gemaakt om zichzelf te doden, terwijl voor de strafbaarheid daarnaast niet... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

18 maart 2008

Strafkamer

nr. 03288/06

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 augustus 2006, nummer 23/006480-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1932, wonende te [woonplaats].

  1. De bestreden uitspraak

    Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 7 december 2005 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en hem de middelen daartoe verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met proeftijd van twee jaren.

  2. Geding in cassatie

    Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

    Bij de Hoge Raad is een geschrift van de verdachte ingekomen. Omdat volgens art. 437, tweede lid, Sv uitsluitend een raadsman namens de verdachte middelen van cassatie kan indienen, kan de Hoge Raad dit geschrift niet beschouwen als een schriftuur houdende middelen van cassatie en zal hij op dit geschrift dus geen acht slaan.

    De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

  3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

    3.1. De tenlastelegging onder 1 is toegesneden op art. 294, tweede lid, Sr. Ten laste van de verdachte is daarvan bewezenverklaard dat:

    "[JvT] in de periode van 9 november 2003 tot en met 10 november 2003 in [plaats] zelfdoding heeft gepleegd, waarbij hij, verdachte, [JvT] op tijdstippen in de periode van 1 juli 2003 tot en met 10 november 2003 in [plaats] en/of [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en [JvT] middelen daartoe heeft verschaft, terwijl die zelfdoding is gevolgd, hebbende hij, verdachte, daarbij opzettelijk

    - brieven geschreven en ondertekend en verzonden aan [JvT], inhoudende informatie en/of instructies met betrekking tot zelfdoding, te weten:

    * een brief (offerte), gedateerd 8 augustus 2003, waarin het boek "[genaamd ...]" onder de aandacht werd gebracht met daarbij de zinsnede:

    "gebruik van de Virtuele Apotheek"

    en

    * een brief gedateerd 10 augustus 2005 (de Hoge Raad leest: 2003), waarin de volgende passage is opgenomen: "Beschikt iemand over bepaalde medicijnen en vraagt hij of zij zich af of die te gebruiken zijn voor beÎindiging van eigen leven, dan informeren wij op verzoek over hetgeen in de ons ter beschikking staande literatuur is gepubliceerd met betrekking tot eventuele risico's en de dodelijke dosis of dodelijke combinatie der beschikbare middelen, alsmede de wijze van innemen. Een nauwkeurige opgave van de in uw bezit zijnde medicijnen (aantal, sterkte in mg, naam, ook van de werkzame stof) is dan noodzakelijk."

    en

    * een brief, gedateerd 23 augustus 2003, waarin de volgende passages zijn opgenomen: "Naar aanleiding van uw brief van 21/08/03 deel ik u mede dat, als u kiest voor een methode met een dodelijke overdosis of combinatie, er misschien wel een mogelijkheid is. ... Als het u lukt door klagen een zwaardere dosis te krijgen zou u kunnen gaan sparen voor een hoeveelheid die levensgevaarlijk is en in combinatie met een pijnstiller (zie verderop) dodelijk. Die pijnstiller zou u kunnen krijgen door zoveel Traxene te sparen dat u door ruiling over het gewenste mengsel kunt beschikken. ... In uw geval zou een overdosis van 40 x 20 mg Tranxene en 30 x 150 mg Depronal een geschikt mengsel kunnen zijn."

    en

    * een brief (met bijlage), gedateerd 26 augustus 2003, waarin de volgende passages zijn opgenomen: "Naar aanleiding van uw brief van 21/8/03 deel ik u het volgende mede. U noemde Efecor, ik vond EFEXOR, merknaam voor venlafaxine, antidepressivum uit de groep serotonine-heropnameremmers waartoe ook Prozac behoort. [W]*) noemt medicijnen uit deze groep "minder giftig en dus geen ideale zelfmoordmiddelen. U vroeg naar de werking van andere Antidepressiva. Op bijlage een overzicht van bekende tricyclische antidepressiva, met name generieke stof en Merknamen. Daaruit kun je afleiden dat Amitriptyline het meest voor de hand ligt, het wordt ook vaak voorgeschreven. Bij pillen van 10 mg betekent dat wel dat 600 pillen moeten worden verpoederd (bij 25 mg 240 pillen) en dat bij het innemen aanvullend ook een slaapmiddel moet worden gebruikt (+ alcohol en tevoren antibraakmiddel) Voor het klein maken van de pillen is een tabletvergruizer bij de apotheek verkrijgbaar. Succes met uw verdere maatregelen."

    en

    * een brief, gedateerd 4 november 2003, waarin de volgende passage is opgenomen:

    "Uw verzoek inzake de virtuele apotheek zal ik in gedachten houden tot iemand zich aanmeld die erbij past.", welke brief was voorzien van een geel door verdachte geschreven memobriefje met de volgende tekst: "stuurt u mij 80 T 10 mg U ontvangt dan 30 D 150 mg"

    en

    - 30 capsules Depronal verstrekt en verzonden aan [JvT] en geruild met [JvT] tegen 80 tabletten Tranxene;"

    3.2. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

    (a) de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

    "Sinds ongeveer 1993 ben ik werkzaam als suÔcidecounselor. De Stichting [A] is door mij opgericht in 1994. De stichting begeleidt en informeert mensen met een doodswens. In de periode van 1 juli 2003 tot en met 10 november 2003 heb ik als suÔcidecounselor voor de Stichting [A] schriftelijk contact gehad met [JvT]. Zij had mij geschreven dat zij een einde aan haar leven wilde maken. Ik heb haar daarbij hulp geboden. Ik heb haar vier brieven geschreven die in het dossier zijn gevoegd en waarvan de inhoud mij thans door de voorzitter wordt voorgehouden: een brief van 8 augustus 2003 waarin ik haar attendeer op mijn boek "[genaamd ...]", een brief van 10 augustus 2003 waarin ik [JvT] erop wijs dat Stichting [A] informeert over het gebruik van medicijnen bij beÎindiging van het eigen leven, een brief van 23 augustus 2003, een brief van 26 augustus 2003 waarin ik reageer op een brief van [JvT] van 21 augustus 2003 en een brief van 4 november 2003 waarin ik [JvT] mededeel dat ik haar verzoek inzake de virtuele apotheek in gedachten zal houden tot iemand zich aanmeldt die erbij past. Ik heb [JvT] door middel van deze brieven laten weten dat ik zou bemiddelen bij het ruilen van medicijnen. Deze medicijnen zijn slechts op voorschrift verkrijgbaar. Ik heb [JvT] het advies gegeven Tranxene op te sparen en een gedeelte daarvan naar mij te sturen. Ik zou dit medicijn ruilen tegen een ander geneesmiddel dat een dodelijke combinatie vormt met Tranxene. Ik heb inderdaad Tranxene van [JvT] ontvangen. Ik ben over de schreef gegaan door [JvT] te helpen bij haar suÔcide".

    (b) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

    "Ik heb een boek geschreven met de titel "[genaamd ...]". Daarin staan mijn ervaringen die ik heb met patiÎnten (het hof begrijpt: mensen die zich tot hem wenden met een doodswens). Het boek is geschreven voor hulpverleners en mensen die er over denken om ook counselor te worden. Ik heb ook de brochure geschreven "[genaamd ...]". In de brochure staan verschillende methodes om het leven te beÎindigen. Als mensen kiezen voor inname van medicijnen kan ik ze daarover informeren. Ik kan voor ze opzoeken wat bepaalde medicijnen voor hen kunnen betekenen. Ik heb de brochure aan haar opgestuurd.

    Ik heb van [JvT] 80 tabletten Tranxene ontvangen en heb haar 30 capsules Depronal gestuurd. Ik had die Depronal ontvangen van een paar oudere dames met wie ik al acht jaar contact heb. Ik heb dat verborgen willen houden, omdat ik weet dat dat juridisch gezien een omstreden handeling is. Volgens mij had [JvT] zelf nog 80 tabletten Tranxene. Ik ben niet bevoegd om geneesmiddelen af te leveren.

    [JvT] koos voor een methode van een dodelijke dosis medicijnen. Omdat zij de beschikking had over Tranxene is een combinatie met Depronal ÈÈn van de mogelijkheden. Dat is een beproefde methode. De middelen versterken elkaar. Je gaat dood als je een voldoende mengsel van deze medicijnen inneemt.

    Ik heb een brief aan [JvT] gestuurd. Dat is de brief die u me getoond heeft, gedateerd 4 november 2003. Aan die brief zit een geel memobriefje. De laatste twee letters "mg" zijn duidelijk in mijn handschrift. Ik heb dat briefje geschreven".

    (c) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [NvT]:

    "Ik ben de vader van [JvT], geboren op [geboortedatum] 1978, gewoond hebbende op het adres [a-straat 1] te [plaats]. [JvT] is in haar woning om het leven gekomen op 9 of 10 november 2003.

    Op 10 november 2003 ben ik naar de woning van [JvT] gereden en heb ik aangebeld aan de voordeur. Er werd niet opengedaan. Ik heb een sleutel van de achterdeur en ben via die deur de woning binnengegaan. Ik zag dat [JvT] in bed lag. Haar hand voelde koud aan. Ik zag dat er wit schuim in haar neusgaten zat. Ik heb mijn vrouw gebeld en haar gevraagd om dokter en politie te bellen. De politie kwam bij de woning aan. Ook de schouwarts is gekomen en heeft geconstateerd dat [JvT] was overleden.

    [Verbalisant 1] van de technische recherche attendeerde mij erop dat in de hals van [JvT] een lichte afdruk van een elastiek te zien was. Onder het hoofd van [JvT] lag een plastic zak en een kussensloop. Ik heb in eerste instantie die plastic zak niet gezien. Ik merkte die zak pas op toen [verbalisant 1] en de schouwarts het daarover hadden.

    Ik vond in de woning afscheidsbrieven, onder anderen voor mij en mijn vrouw. Daarnaast vond ik een boekje "[genaamd ...]". In dat boekje zat een brief, geschreven door de auteur van het boek, [verdachte]. Ik wierp een blik op die brief. Ik zag onder meer de aanhef "[JvT]" en een zinsnede waarin geadviseerd...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT