Eerste aanleg - enkelvoudig van Rechtbank Rotterdam, 23 april 2008

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:23 april 2008
Uitgevende instantie::Rechtbank Rotterdam
SAMENVATTING

Tegenbewijs ex artikel 2:248 lid 2 BW: de bestuurder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een krimpende markt en hoge vaste lasten een belangrijke oorzaak van het faillissement vormen.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 230274 / HA ZA 04-3599 (hoofdzaak) en

Zaak-/rolnummer: 237587 / HA ZA 05-1269 (vrijwaringzaak)

Uitspraak: 23 april 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak met nummer 230274 van:

Mr. Jeroen Gerardus PRINCEN Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser in de hoofdzaak],

wonende te Rotterdam,

eiser,

procureur mr. P.J. de Waal,

advocaat mr. J.M. van Delft,

- tegen -

[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

procureur mr. E. den Hartog,

en in de zaak met nummer 237587 van:

[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring],

wonende te Capelle aan den IJssel,

eiser,

procureur mr. E. den Hartog,

- tegen -

  1. [directeur bedrijf 1],

    wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel;

  2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

    WILRO ONROEREND GOED B.V.,

    gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel;

  3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEHEERSMAATSCHAPPIJ WILRO B.V.,

    gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel,

    gedaagden,

    procureur mr. D.J.R.M. Braakenburg,

    advocaat mr. J.F. Bienfait.

    In de hoofdzaak blijven partijen hierna aangeduid als "de curator" en "[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring]", in de vrijwaringszaak als "[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring]", "[directeur bedrijf 1]", "Wilro OG" en "Wilro Beheer", alsmede [directeur bedrijf 1], Wilro OG en Wilro Beheer gezamenlijk als "[gedaagden in vrijwaring]".

    1 Het verdere verloop van het geding

    1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

    - het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 30 augustus 2006 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

    - de processen-verbaal van de getuigenverhoren gehouden op 14 december 2006 en 23 maart 2007;

    - de na enquÍte gewisselde conclusies van partijen.

    1.2 De rechter ten overstaan van wie de getuigenverhoren hebben plaats gehad is binnen deze rechtbank gerouleerd, waardoor hij niet in staat is dit vonnis (mee) te wijzen.

    2 De verdere beoordeling

    in de hoofdzaak

    2.1 Bij voormeld vonnis (hierna: het tussenvonnis) is [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] toegelaten tot het tegenbewijs van het op artikel 2:248 lid 2 BW gegronde vermoeden dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur van [eiser in de hoofdzaak] een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [eiser in de hoofdzaak], met name door aannemelijk te maken dat het faillissement is veroorzaakt door andere oorzaken.

    2.2 [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft in enquÍte naast zichzelf als getuigen doen horen [directuer bedrijf 1] (directeur van [bedrijf 1] B.V.), [voormalig verkoper bij eiser in[voormalig verkoper bij eiser in de hoofdzaak] (voormalig verkoper bij [eiser in de hoofdzaak]) en [voormalig directeur van bedrijf 3] (voorzitter van [bedrijf 2], een platform voor leveranciers aan de wasserij-industrie en voormalig directeur-eigenaar van [bedrijf 3], een concurrent van [eiser in de hoofdzaak]). De curator heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquÍte.

    2.3 [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft in enquÍte verklaard:

    Toen ik Wilro in 2001 overnam, konden van de omzet alle kosten worden betaald. In 2003 en 2004 ging de omzet sterk omlaag omdat de opdrachten voor de verkoop van nieuwe machines niet meer binnen kwamen. Er was nog wel wat omzet door inruil maar de verkoop van nieuwe machines was de hoofdmoot van de omzet. Het was een algemene tendens in de branche dat het slecht ging. Ook de horeca liep slecht, waardoor er minder werk was bij de klanten. Die deden daardoor minder investeringen. Overheden, zoals ziekenhuizen en sociale werkplaatsen, investeerden helemaal niet meer. Daardoor ontstond een groot liquiditeitsprobleem. We hadden wel een goede offerteportefeuille. Om een voorbeeld te geven: Lapauw was voor ons een heel belangrijk dealerschap. Bijna 100% van de offertes die wij van hen hadden, zijn in 2005 wel geÔnvesteerd. Die opdrachten zijn allemaal weer gekomen, maar helaas niet in mijn tijd. De markt zit inmiddels weer op het niveau van 2002.

    De cashflow stopte, maar de lasten bleven gigantisch. Ik moest in vier jaar tijd de lening van het bedrijf afbetalen. Concurrenten hebben op hun reserves kunnen teren. Ik had niets achter de hand.

    (..)

    Het huurcontract duurde tot 2006. Aan die kosten kon ik dus niets doen. Over de kosten van de bank viel ook niet te praten. U houdt mij voor dat in het faillissementsverslag van de curator is vermeld dat in de eerste maanden van 2004 de kosten sterk zijn gestegen. Ik zou niet weten welke kosten dat zou moeten betreffen. Er waren verder personeelskosten. Het ging om gespecialiseerd personeel dat niet makkelijk was te vervangen. Wij gokten erop dat klanten weer zouden gaan bestellen. Ze konden het vervangen van machines niet blijven uitstellen. Ik heb aan dhr. [directeur bedrijf 1] een voorstel gedaan om de betaling van de huur even uit te stellen en ook in privÈ een lening aan te gaan bij hem, maar daartoe was hij niet bereid.

    Het servicewerk was leuk en ook nodig, maar niet kostendekkend. De winstmarge zat in de verkoop. Dhr. [voormalig verkoper bij eiser in de hoofdzaak] en wij hebben in 2003 en in 2004 net zo hard ons best gedaan als altijd, maar de opdrachten kwamen gewoon niet.

    Op vragen van mr. den Hartog antwoord ik als volgt.

    Er waren in...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT