Raadkamer van Gerechtshof Arnhem, 7 september 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 7 september 2012
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem
SAMENVATTING

Beklagzaak. Weggepest gezin Leidsche Rijn. Geen specifieke modus operandi

 
GRATIS UITTREKSEL

K12/0006

Beschikking

inzake

[Klager 1] en [klager 2],

domicilie kiezende ten kantore van hun gemachtigde,

klagers,

bijgestaan door mr Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht,

tegen

[beklaagde 1],

wonende te [woonplaats],

[beklaagde 2],

wonende te [woonplaats],

[beklaagde 3],

wonende te [woonplaats],

[beklaagde 4],

wonende te [woonplaats],

[beklaagde 5],

wonende te [woonplaats],

[beklaagde 6],

wonende te [woonplaats],

[beklaagde 7],

wonende te [woonplaats],

[beklaagde 8],

wonende te [woonplaats],

N.N.,

beklaagden.

Op 20 december 2011 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klagers. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissingen van de officier van justitie te Utrecht om tegen beklaagden geen strafvervolging in te stellen.

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de officier van justitie te Utrecht, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Op 27 juli 2012 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren

de gemachtigde van klagers, de ouders van [beklaagde 5], alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord. Klagers en beklaagden zijn – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gegrondheid van het beklag, voor zover dat is gericht tegen de beslissingen van de officier van justitie om [beklaagde 4] niet strafrechtelijk te vervolgen ter zake van de inbraak in de woning van klagers op 4 augustus 2010 en geen strafrechtelijke vervolging in te stellen ter zake van brandstichting in de auto van klagers op 22 juni 2011. Volgens de advocaat-generaal dient het beklag voor het overige ongegrond verklaard te worden.

Het beklag

Door of namens klagers is:

- op 5 augustus 2010 aangifte gedaan van inbraak, gepleegd te Utrecht op 4 augustus 2010.

- op 14 oktober 2010 aangifte gedaan van diefstal, gepleegd te Utrecht tussen

11 oktober 2010 te 19.15 uur en 12 oktober 2010 te 08.00 uur.

- op 11 februari 2011 aangifte gedaan van vernieling, gepleegd te Utrecht op

11 februari 2011.

- op 13 februari 2011 aangifte gedaan van vernieling, gepleegd te Utrecht op

13 februari 2011.

- op 15 februari 2011 aangifte gedaan van vernieling, gepleegd te Utrecht op

15 februari 2011.

- op 16 februari 2011 aangifte gedaan van vernieling, gepleegd te Utrecht op

16 februari 2011.

- op 19 maart 2011 aangifte gedaan van poging tot vernieling, gepleegd te Utrecht op 19 maart 2011.

- op 23 april 2011 aangifte gedaan van vernieling, gepleegd te Utrecht tussen

22 april 2011 te 22.30 uur en 23 april 2011 te 05.00 uur.

- op 22 juni 2011 aangifte gedaan van brandstichting, gepleegd te Utrecht op

22 juni 2011.

Voor wat betreft de weergave van de feiten verwijst het hof naar het aan deze beschikking in kopie gehechte ambtsbericht van de officier van justitie.

Aanvankelijk heeft de officier van justitie ter zake van al deze feiten besloten geen strafrechtelijke vervolging in te stellen wegens gebrek aan bewijs. In haar ambtsbericht van 11 april 2012 adviseert de officier van justitie echter om het beklag gegrond te verklaren voor zover dat betrekking heeft op de beslissing om...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT