Wraking van Gerechtshof 's-Gravenhage, 5 september 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 5 september 2012
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

afwijzing wrakingsverzoek.

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Zaaknummer : 200.109.152/02

Zaaknummer hoofdzaak : 200.109.152/01

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 5 september 2012

inzake het mondelinge verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in de hoofdzaak met genoemd zaaknummer van:

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

hierna ook te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Tamas te ’s-Gravenhage.

Het geding

  1. In de procedure onder zaaknummer 200.109.152/01tussen [de moeder] als verzoekster in hoger beroep en de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden (hierna: Jeugdzorg) te ’s-Gravenhage als verweerster, heeft op 8 augustus 2012 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, alwaar zitting hadden mr. M.J. de Haan-Boerdijk, voorzitter en mrs. B.P.H.M. van den Wildenberg en M.Th. Linsen-Penning de Vries, leden.

    Bij mondeling verzoek van 8 augustus 2012 heeft mr. Tamas, namens [de moeder], een verzoek tot wraking gedaan van mr. De Haan-Boerdijk, voornoemde voorzitter.

  2. De raadsheer die het verzoek tot wraking betreft, hierna ook te noemen: de raadsheer, heeft niet in de wraking berust. Zij heeft bij brief van 15 augustus 2012 haar standpunt schriftelijk weergegeven, waarbij zij heeft medegedeeld dat zij geen behoefte heeft te worden gehoord.

  3. De wrakingskamer heeft het verzoek op 22 augustus 2012 ter terechtzitting behandeld, waarbij [de moeder] is verschenen, bijgestaan door mr. Tamas.

    Het wrakingsverzoek

  4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in de hoofdzaak van 8 augustus 2012 heeft mr. Tamas aldaar als grondslag voor het wrakingsverzoek aangevoerd dat de raadsheer de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt (i) omdat zij ter zitting heeft gezegd dat zij de indruk had dat in de verklaring van de minderjarige, [Naam], de zoon van [de moeder] en de heer [Naam], de mening van de moeder doorklonk, terwijl zij op dat moment de moeder nog niet had gehoord en (ii) omdat zij hem niet heeft laten uitspreken en hem niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn licht te laten schijnen op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht.

  5. Ter zitting van de wrakingskamer heeft mr. Tamas de gronden van het wrakingsverzoek mondeling nader toegelicht. Hij heeft medegedeeld dat hij ter zitting bezwaar heeft gemaakt tegen de door de raadsheer gegeven indruk, (mede) omdat de mening van de moeder in de hoofdprocedure nimmer goed naar voren is gekomen.

    Verder werden door de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT